De Woudkapel                                                                                    Witte Donderdag 2018

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Gerard Zwart

harp: Annemieke Breunesse

 

liturgie

inleiding op de dienst

Heel kort. Het is de avond van Witte Donderdag. Al létterlijk duizenden jaren wordt deze avond gevierd met een gezamenlijke maaltijd. En dat gebruik gaat terug op een tweetal verhalen. Het eerste staat in het bijbelboek Exodus. Daarin wordt verbeeld hoe mensen als u en ik daadwerkelijk de moed vatten om hun boeltje op te pakken en weg te trekken uit een werkelijkheid die hen klein houdt en belemmert om te groeien tot de oorspronkelijke, zelfbewuste individuen die zij in wezen zijn. Op de avond vóór hun vertrek zoeken zij elkaars nabijheid op en eten zij samen. En al degenen die zich in de loop van vele eeuwen door dat verhaal hebben laten inspireren volgen ook wat dit betreft het voorbeeld van de personages uit dat eerste oude verhaal.

Het tweede verhaal doet daar in veel opzichten aan het eerste denken. Het is van later datum en zonder enige twijfel tot stand gekomen in gesprek met het eerste. We vinden het in de verschillende evangeliën. Vanavond lezen we de versie die Johannes schreef. Dat verhaal vertelt hoe een enkele mens vernederd wordt en kapot gemaakt wordt omdat hij trouw blijft aan zijn uiteindelijke waarheid. Op de avond voorafgaand aan zijn vernedering eet hij met zijn vrienden zoals ook wij dat vanavond doen. En hij doet dat in het vertrouwen dat het zijn trouw een langere adem zal blijken te hebben dan de lompheid en het geweld van degenen die hem naar het leven staan. Vanavond zoeken wij ons te verbinden met de centrale gestalten uit zowel het eerste als het tweede verhaal.

 

zingen             Lied BB 42                              -staan-

 

votum

V:         Hulp is ons het noemen van de naam van God.

A:         De naam van God is aanwezigheid.

V:         Wij noemen zijn naam en hij zal er zijn,

A:         voor altijd aanwezig is God in zijn naam.

 

harp                 -zitten-

 

schriftlezing

Johannes 13: 1Het was kort voor het Paasfeest. ​Jezus​ wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn ​liefde​ voor hen zou tot het uiterste gaan. 2Jezus​ en zijn ​leerlingen​ hielden een ​maaltijd. De ​duivel​ had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet ​Jezus​ te verraden. 3Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, 4stond tijdens de ​maaltijd​ op. Hij legde zijn ​bovenkleed​ af, sloeg een ​linnen​ doek om 5en goot water in een waskom. Hij begon de ​voeten​ van zijn ​leerlingen​ te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. … 12Toen hij hun ​voeten​ gewassen had, deed hij zijn ​bovenkleed​ aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. 13‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. 14Als ik, jullie ​Heer​ en jullie meester, je ​voeten​ gewassen heb, moet je ook elkaars ​voeten​ wassen. 15Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. 16Waarachtig, ik verzeker jullie: een ​slaaf​ is niet meer dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem zendt. 17Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt.

 

harp

 

overweging

Er zijn verschillende factoren of criteria die bepalen of kunst ook werkelijk goede of relevante kunst is. Het vakmanschap van de schilder blijkt uit, om maar iets te noemen, zijn kennis van de gebruikte materialen (de verfsoorten: wat kun je ermee?, wat roepen ze op aan sfeer?, hoe laten ze zich mengen en hoe houden ze zich op de langere termijn?, wat bereik ik met welke type penseelstreek?). Ook moet hij kennis hebben van kleurgebruik en van compositieleer. En zo zal er nog een aantal dingen op te noemen zijn waarin de ware meester zich onderscheidt van mindere goden en amateurs. Maar één van de dingen die een schilder werkelijk groot maakt, is het verhaal dat hij te vertellen heeft. Zijn werk is dan vooral het resultaat van zijn gevecht om iets inzichtelijk te maken, iets duidelijk te maken dat op geen enkele andere manier inzichtelijk of duidelijk gemaakt kan worden. Met andere woorden: zijn schilderstalent en -vakmanschap staan in dienst van het verhaal dat de schilder te vertellen heeft.

 

Dit laatste is beslist één van de redenen dat Rembrandt als zo’n grote kunstenaar wordt beschouwd. Hij is zijn hele leven blijven zoeken naar de mogelijkheden die verf biedt om uitdrukking te geven aan gedachten en ideeën die in hem opkwamen en die hem bezighielden. Zeker, hij was een groot schilder. Maar een nog grotere geest. Daarom moeten zijn schilderijen vooral bekeken worden als een weerslag van het gesprek dat de schilder met zichzelf en de wereld om hem heen voerde.

 

Ik moet u bekennen dat ik het schilderij dat op de voorkant van de liturgie staat tot voor kort niet kende. Toen ik het een paar maanden geleden voor het eerst bewust zag, herkende ik het zelfs niet meteen als een Rembrandt. Dat gebeurde pas toen een door mij bewonderde kunstminnaar en kunstkenner (in die volgorde) mij er op wees dat Rembrandt met dit schilderij een poging doet om iets te zeggen over het begrip ‘incarnatie’. U kent het woord wellicht. Het is een begrip uit de klassieke, christelijke dogmatiek en het betekent ‘vleeswording’ (‘carne’ is het Latijnse woord voor vlees), en dan met name de vleeswording van God in Jezus.

 

Op de één of andere manier ben ik de laatste tijd nogal gefascineerd door die oude, dogmatische formules. Ik hoop dat u zich er niet door belast of mee opgezadeld voelt.

 

Al in de oudste bijbelverhalen klinkt de gedachte door dat God niet zozeer een abstracte, metafysische, hogere macht of zoiets is. Nee, de god waar de bijbel het over heeft, is een werkelijkheid die wij kunnen leren kennen door naar vooral de mens te kijken, naar heel gewone mensen als uzelf bent. En naar die ook heel gewone mensen om u heen.

 

Om dat duidelijk te maken, dat al die gewone mensen voor wie goed kijkt tegelijkertijd ook heel bijzonder zijn, vertelden ze verhalen over Abraham, Jacob, David, Salomo en noem maar op. Allemaal mensen als u en ik die aan één kant hun levens gestalte geven door gehoorzaam te zijn aan de regels van de biologie en de wetten van de natuur (ze handhaven zich in de wereld waarin ze leven, ze planten zich voort en gaan uiteindelijk strijdend ten onder). Maar tegelijkertijd laten die verhalen óók zien dat deze mensen nog een andere mogelijkheid in zich dragen. Zij verlangen er allemaal naar ruimte en een fundament te vinden om het leven te leven vanuit begrippen als ‘wederzijds vertrouwen’, ‘wederzijdse kwetsbaarheid’, in ‘aandacht en eerbied voor zichzelf en elkaar’ en zo voort. Door de eeuwen heen hebben mensen vermoed dat daarmee, in ‘die andere mogelijkheid’ de diepste waarden van het bestaan zichtbaar worden gemaakt.

 

In de verhalen over Jezus wordt ditzelfde thema opnieuw uitgewerkt. En het waren de christelijke theologen die er een dogmatische formulering bij verzonnen: God openbaart zich in Jezus door zijn incarnatie. Maar omdat dit als een metafoor gelezen en begrepen moet worden, kunnen we het  ook ruimer opvatten: God wordt zichtbaar in zijn schepping. Met andere woorden: dat wat er werkelijk toe doet, dat wat werkelijk waar en waarachtig is, kan in de concrete werkelijkheid worden herkend en ervaren.

 

Ik was aanvankelijk nogal verrast dat ik dit allemaal zou moeten kunnen herkennen in dit schilderij van Rembrandt. Maar in de loop van de eeuwen zijn er zoveel kunstenaars zijn geweest die op basis van dit schilderij van Rembrandt met het thema van de incarnatie aan de slag zijn gegaan dat ik het idee niet zomaar naar het land der fabelen kan verwijzen. U moet thuis maar eens op Google Afbeeldingen kijken. Ik vestig dan alvast uw speciale aandacht op de versie van de Britse kunstenaar Francis Bacon.

 

Na de kennismaking met het schilderij van Rembrandt heb ik me voorgenomen om het vanavond niet alleen aan u te laten zien maar ook eens een paar gedachten te delen over die zogenaamde incarnatie. Ik denk dat dat aan de orde is want ik kom het thema op de één of andere manier almaar en overal tegen. Om een voorbeeld te noemen: gisteren hielden we hier in de Woudkapel de traditionele Paaslunch. Zonder dat dat op welke manier dan ook gepland was, leek het alsof de vraag naar de incarnatie het thema van de lunch was.

 

Dat kwam niet in de laatste plaats door één van de muziekstukken die de cellist Lucas Bunge met pianiste Caroline Kuijpers speelden: ‘Louange à l’éternité de Jézus’ van de Franse componist Olivier Messiaen. Een ‘lofzang op de eeuwigheid van Jezus’.

 

In het kort: Messiaen was aan het begin van de oorlog opgesloten in een kamp bij de Duitse plaats Görlitz. Daar componeerde hij deze muziek. Het stuk was bedoeld om in het kamp uitgevoerd te worden en dat is dan ook gebeurd. Op heel gebrekkige instrumenten wel te verstaan, maar toch. Zo miste de cello die ter beschikking een snaar en kon de piano niet worden gestemd. Maar dat kwam allemaal zeker niet in mindering op de indruk die het stuk maakte.

 

Gisteren luisterden wij naar het middendeel dat geschreven is voor alleen piano en cello. Toen het afgelopen was, en ik overdrijf niet, waren wij allemaal tot tranen geroerd. Ik heb me natuurlijk afgevraagd wat het was, dat ons zo raakte. Mijn vermoeden is dat het ermee te maken heeft dat deze muziek op een volstrekt authentieke en integere manier vóelbaar maakt dat de soms inderdaad barbaarse werkelijkheid waarin wij terecht zijn gekomen het paradoxaal genoeg verdraagt, ja, áán kan om in alle naaktheid te worden gezien, verklankt, benoemd en geschilderd. Dat wil zeggen dat wij, om het in zo’n kamp uit te kunnen houden, de omstandigheden niet hoeven te relativeren, te verdoezelen of te ontkennen. Wij zijn uitgenodigd te herkennen dat ín die werkelijkheid een troost en een schoonheid opbloeit die ons, zelfs door het diepste donker, dráágt.

 

Met andere woorden: de muziek riep de sombere donkerte van het kamp in Görlitz op. Maar zij maakte tegelijkertijd duidelijk dat álle donkerte (die uit dat kamp maar ook die in de levens die ons zijn toebedeeld) dat álle donkerte is ingebed in een troostende en liefdevolle schoonheid. Die troostende en liefdevolle schoonheid openbaarde zich tóen, daar in Görlitz en zij openbaarde zich gisteren hier in de Woudkapel. Het is ‘La louange à l’éternité de Jezus’, de eeuwige God is naspeurbaar aanwezig, zelfs in meest schrille werkelijkheid. Het is die ervaring waar het idee van de incarnatie naar verwijst.

 

We gaan even terug naar Rembrandt. Want, zo is de gedachte, verf kan deze gedachte nog dichterbij halen dan muziek. Verf is immers ook materie. En dus concreet. En als die concrete verf dan ook nog eens vlees verbeeldt, het materiaal waaruit wij zijn opgebouwd, dan verbeeldt dat, door de gelaagdheid van wat er te zien is, de vermenging van de ‘gewone’ werkelijkheid en ervaring van de presentie van God.

 

Toen ik gisteravond thuis achter mijn bureau aan deze overweging zat te werken besloot ik er eens een oud dogmatiekboek bij te pakken. Ik kan u zeggen at ik geboeid heb zitten lezen. En al lezende ging mij opeens een licht op. Eindelijk, na een kleine 45 jaar met theologie bezig te zijn geweest, ging ik de katholieke eucharistie een beetje begrijpen.

 

Ik zal over mijn inzicht vertellen. In de protestantse traditie verwijzen brood en wijn naar het leven van Jezus. Middels die symbolen wordt het leven van Jezus present gesteld. Als wij brood en wijn tot ons nemen, krijgen wij, als het ware, deel aan dat leven. In de katholieke traditie wordt daar anders tegenaan gekeken en mee omgegaan. Daar worden brood en wijn niet gezien als symbolen van het leven van Jezus, het is daarentegen feitelijk zijn lichaam en zijn bloed dat bij de eucharistie wordt gedeeld.

 

Decennia lang heb ik dat idee een beetje smalend afgedaan als willens en wetens vasthouden aan onzin. Want we kunnen toch met eigen ogen zien dat dat brood en die wijn niet het lichaam en bloed van Jezus zijn? Maar gisteravond drong mijn eigen kortzichtigheid tot mijn door. L’éternité de Jézus is, dat hoop ik een beetje duidelijk te hebben gemaakt, te vinden in de concrete werkelijkheid. En dus zéker in die aspecten van de werkelijkheid die naar de verhalen over hem verwijzen. We doen niet alleen onze werkelijkheid maar ook Jezus tekort als we ze uit elkaar halen. Ze vallen in de werkelijkheid sámen. Die werkelijkheid is dus letterlijk aan de ene kant brood en wijn, maar aan de andere kant, en dat is even wáár, het lichaam en het bloed van Jezus. We kunnen het één niet los zien van het ander.

 

Ik hoop dat u het nog meemaakt? Misschien is het te abstract en overvraag ik u. Hoe zou ik u in tien minuten duidelijk kunnen maken waar ikzelf pas na bijna 45 jaar een vermoeden van kreeg? Maar wat ik hoop is dat u zich ervan bewust bent dat onze wereld, die wondere grond waarop wij staan, leven, werken en liefhebben, altijd eindeloos veelkleuriger is dan wij in onze nood wellicht geneigd zijn te denken. Dat die gedachte ons moed mag geven. En nieuw vertrouwen. Voor de dingen die komen gaan. Amen

 

stilte

 

harp

 

inleiding op het avondmaal

V:         In verwachting van wat komt,

A:         ontvankelijk voor de dingen die komen,

V:         laat ons goed noemen al wat kwam:

A:         Goed noemen wij wat ons toeviel.

 

gebed

V:         Hoewel jouw verhaal oeroud is,

bleef je hier toch.

Soms was je een herinnering die binnenin

in leven bleef, maar soms ook

was je nergens want het duister ingegaan,

van ons vandaan

Dat wij hier staan is omdat we willen

denken aan hoe jij er was en bent.

We willen zijn als jij, met jou erbij en ons aaneen.

Wij zijn hier echt, we denken jou,

we delen woorden en zeggen brood

en even zijn wij samen één.

Daarom, steeds weer in dankbaarheid

drinken wij wijn, die drank ten leven,

als je weer komt – je bent er al, want altijd hier

altijd nabij, altijd bij ons

en ook bij mij.

 

uitdelingswoorden                              -staan-

A:         Wij delen zijn woorden, wij delen zijn brood,

wij noemen ons één.

Wij drinken zijn dagen en voelen zijn leven

als wijn in ons bloed.

 

rondgaan van brood en wijn

-Brood en wijn worden in één rondgang uitgereikt. Het is de bedoeling dat u het brood aanneemt en eet. Meteen daarna neemt u een bekertje wijn (of druivensap) en drinkt daarvan. Wanneer u het bekertje terug hebt gezet op het dienblad lopen de voorganger en zijn secondant door naar degene die naast u staat-

 

lofprijzing

V:         Prijs, mijn ziel, al dat wat is in eeuwigheid

A:         Al wat in mij is, prijs wat heilig is

V:         Te geven en te ontvangen zijn liefde en troost

A:         Laat troost en liefde geen einde nemen.

 

gebed              Luthers avondgebed   -zitten-

A:         Blijf bij ons Heer, want het is avond

en de nacht zal komen.

Blijf bij ons en bij Uw ganse kerk

aan de avond van de dag,

aan de avond van het leven,

aan de avond van de wereld.

Blijf bij ons met Uw genade en goedheid,

met Uw troost en zegen,

met Uw Woord en Sacrament.

Blijf bij ons, wanneer over ons komt

de nacht van beproeving en van angst,

de nacht van twijfel en aanvechting,

de nacht van de strengen, bittere dood.

Blijf bij ons, in leven en sterven,

in tijd en eeuwigheid.

Amen

 

zingen             Lied NLB 575: 1, 3 en 4                      -staan-

 

zegen

De Heer zegene u en hij behoede u,

de Heer doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.

De Heer verheffe zijn aangezicht over u

en geve u vrede.