voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Gerard Zwart

 

liturgie

Vandaag is het Dierendag. Of, zoals de Stichting Wakker Dier het zo uitnodigend noemt, ‘eet-geen-dierendag’. Vanzelfsprekend heb ik me afgevraagd of we daar wat mee zouden kunnen of moeten doen maar uiteindelijk heb ik achter mijn bureau het democratische besluit genomen dat niet te doen. En de reden daarvoor is dat ik op YouTube stuitte op een fragment uit een preek van de othodoxe patriarch van Moskou dat me nogal verraste. Wat hij betoogt, is dat er door de eeuwen heen door tal van partijen geprobeerd is het christelijke gedachtengoed om zeep te helpen maar dat het feit dat hij daar, in vol ornaat, staat er het bewijs van is dat dat niet is gelukt. Zijn conclusie is dat het gedachtengoed dat hij representeert een langere adem heeft dan alle regimes en andere machten die hoog van de verschillende torens blazen. Wat mij zo trof, was de rustige en daarom troostende vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn verhaal brengt. Ik ben benieuwd wat zijn betoog de komende paar minuten in u oproept.

https://www.youtube.com/watch?v=LtAexVHRVBA&feature=youtu.be

  • schriftlezing Romeinen 8: 37 – 39

8: 37Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. 38Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.

  • NLB 835
  • Overweging

Mij ontroert dat fragment uit de preek van de patriarch. Vanmorgen wil ik een aantal gedachten met u delen die in mij opkwamen toen ik mijzelf de vraag stelde waarom dit filmpje mij raakt.

In de eerste plaats is dat vanwege de vrijmoedigheid die ik bij deze Moskovische geestelijke meen te zien. Die contrasteert in zekere zin met de schroom ik me in de loop van de jaren eigen heb gemaakt. Daarvoor zijn drie redenen te geven die ik één voor één zal noemen. De eerste is dat ik me niet gemakkelijk profileer als representant van de christelijke traditie. Ik ben me te zeer bewust van de toch wijdverbreide vooroordelen en misverstanden die er ten aanzien van die traditie leven. Maar ook de marginalisering ervan in onze samenleving, die ik in de ruim dertig jaar dat ik predikant ben heb zien ontstaan, is op een bepaalde manier deel van mij geworden. Het is vaak ongemakkelijk om te moeten bekennen dat je kapitein bent op een in veler ogen zinkend schip. Ik weet niet veel van de positie van de kerk in het Rusland van nu maar de patriarch lijkt van dergelijke gevoelens geen last te hebben.

 

Maar dat is zeker niet alles. En daarmee kom ik dan bij mijn tweede punt. En dat betreft de manier waarop hij over de macht van, laat ik zeggen, ‘God’ spreekt. Zijn observatie is dat God een langere adem heeft dan alle andere machten in de geschiedenis. Daarbij lijkt hij God en de kerk goeddeels samen te laten vallen. Nu is de gedachte dat God zich openbaart in de kerk mij niet vreemd maar wij hebben geleerd in te zien dat dat niet zomaar kan. In ons deel van de wereld zijn wij over het algemeen terughoudend als het erop gaat te zeggen wat God wel en niet van ons vraagt. Wij hebben afgeleerd te denken dat wij hem in onze broekzak hebben en te weten hoe zijn stem naar het hier en nu te vertalen. Áls we al iets van God denken op te vangen of te verstaan, dan past ons een terughoudende voorzichtigheid in het trekken van conclusies over wat dat te betekenen heeft. Dat is in het verleden te veel en te gemakkelijk gedaan. Met als gevolg dat er in de naam van God veel onrecht gedaan en schade is aangericht. Mensen zijn in zijn naam tekort gedaan of zelfs teniet gedaan. Daarom past ons een luisterend verwijlen bij het juist niet-weten. Maar ook daar lijkt De patriarch van Moskou geen last van te hebben. De vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn verhaal doet ervaar ik als een uitnodigende oproep om uit mijn schuilkelder te komen en rechtop te gaan staan en om zelfbewust te getuigen van wat ik van de God van Israel ervaren en begrepen heb. Met zijn manier van doen provoceert mijn Moskovische collega niet alleen de besmuikt wegduikende kerk zoals wij die kennen maar hij richt zijn pijlen vooral op de verschillende regimes en politieke en filosofische stromingen die in de loop van de eeuwen geprobeerd hebben de kerk het onderspit te laten delven. En daarbij spaart hij zijn eigen land en cultuur bepaald niet: het is niet de kerk die het aflegt maar, stil maar wacht maar, het zijn degenen die de macht hebben en daarom zwelgen in hun eigenwaan. Ook daarin zouden wij misschien wat minder beschroomd kunnen zijn.

 

Mocht u een dezer dagen de patriarch tegen het lijf lopen, dan wil ik u vragen om wat ik nu ga zeggen niet met hem te delen. Maar de ontroering die ik voel als ik het fragment kijk, doet mij denken aan wat er door me heengaat als ik de beelden van bij voorbeeld de Amsterdamse Gay Pride zie. De reden daarvoor is dat ik er een vergelijkbare omkering in herken. Zoals hij volkomen zelfbewust een zieltogende kerk neerzet, zo gaat op die lawaaierige boten in de Amsterdamse grachten de nog altijd vaak moeizaam geaccepteerde LHBTgemeenschap rechtop staan. Het is een manier om een lange neus te maken naar de dominantie heterocultuur die in de ogen van de lhbt gemeenschap vaak gekenmerkt wordt door hypocrisie.

Het jaarlijks in de Bijlmer gehouden Kwakoe Festival doet ook iets heel vergelijkbaars. Daar zijn het de zwarte mensen die bij elkaar komen om hún geschiedenis en hún cultuur te vieren. En hoewel ze landelijk gezien maar een kleine minderheid vormen, worden tijdens dat festival de witte mensen tot hun verrassing opeens buitenstaanders. Niks geen white supremacy maar toeschouwers vanaf de zijlijn.

 

Dergelijke omkeringen zoals die van bewerkstelligd worden door de patriarch van Moskou, tijdens de Gay Pride of tijdens het Kwakoe Festival, ze werken als een spiegel. En een wat mij betreft heel betekenisvolle spiegel. Iets wat min of meer vanzelfsprekend lijkt te zijn, blijkt dat opeens helemaal niet te zijn. Al is het maar voor de duur van een preek in een Moskovische kerk of een enkele middag in augustus in augustus, nú komt in beeld hoe het allemaal óók zou kunnen zijn. Mij lijkt het om een scala aan redenen de moeite waard om dat vast te houden – voordat we weer terugglijden in de voor ons gebruikelijke schema’s en manieren van denken en kijken.

 

En dan is er, zoals ik al aankondigde, nog een derde reden is die ertoe bijdraagt dat ik me aangesproken voel door zijn preek. En die is inhoudelijker dan de vorige twee. Hij heeft te maken met zijn theologie.

 

Al enkele jaren volg ik een cursus cultuurgeschiedenis en onze docent vraagt zich steeds luider af of het niet zo is dat wij, onze generaties, getuige zijn van het einde van de traditionele Westerse cultuur. Eén van de argumenten die hij daarvoor aandraagt, is dat de Westerse cultuur, ook in de kunst en de filosofie, altijd de mens centraal heeft gezet. Van de vroegste Grieken tot en met wat wij de moderne kunst noemen ging het om de relatie van de mens tot zichzelf en zijn omgeving. Zelfs de grote landschapsschilders, zoals bij voorbeeld John Constable van wie nu een heel bijzondere tentoonstelling te zien is in het Haarlemse Teylers Museum zochten naar manieren om onze verhouding tot of onze plaats in de ons omringende natuur te vangen. Maar daarin zou de laatste paar decennia verandering zijn gekomen. Ook in de kunsten is de mens steeds minder centraal komen te staan. Het hardnekkige geloof in wat de ‘maakbare samenleving’ wordt genoemd maakte langzaam maar zeker plaats voor het besef dat de natuur niet van ons maar wij van de natuur afhankelijk zijn. Met andere woorden: de planeet zal, om maar iets te noemen, de klimaatverandering wel overleven. Het is intussen de vraag of van ons hetzelfde gezegd kan worden.

 

Bij deze omkering hoort ook een andere, nieuwe spiritualiteit. Een spiritualiteit waarbij wij ons weer meer bewust zijn van onze betrekkelijkheid. En waarin we ons opnieuw realiseren dat wij in het grote geheel maar een voorbij waaiend stofje zijn. Wij zijn het niet die het laatste woord zullen hebben. Ook dat hoor ik doorklinken in het verhaal van de Moskovische patriarch. Daarbij bedient hij zich overigens wel van een retorische truc. De kerk en het christelijk geloof zijn, zeker ook in Rusland, door de verschillende heersers naar hartelust ingezet als instrument van de macht. Ze oefenden, al naar gelang de tijdsgeest, macht uit op het gebied van de moraal en de politiek. In feite werden zij vaak door de machthebbers in het zadel gehouden. Maar mijn vriend de patriarch doet voorkomen alsof het omgekeerde waar is en dat de kerk ondanks de wisselende regimes de eeuwen overleefde. Maar het feit blijft dat wij nog altijd niet uitgekeken zijn op de oude bijbelverhalen. En dat die verhalen zowel in Rusland als het te onzent nog steeds gelezen worden, draagt hij aan als bewijs dat het uiteindelijk de God van Israel is die de geschiedenis schrijft. Hij is de rode draad in een verhaal van een eindeloze reels machthebbers en heersers die één voor één het onderspit delfden. Alles wat macht uitoefent, of het nu bewegingen zijn, individuele mensen of virussen, het is allemaal betrekkelijk in het licht van wat wij ons hier ook vanmorgen weer op concentreren.

 

Vorige maand las ik uit het boek 1 Korinthe iets heel vergelijkbaars voor: Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan … en zo voort. En wat blijft zijn de zachte krachten als geloof, hoop en liefde. Die andere, nieuwe spiritualiteit waarover ik sprak, nodigt uit tot loslaten. In wat wij nu doormaken wordt een beroep gedaan op ons uithoudingsvermogen. Wat ons daarbij kan helpen is het vertrouwen dat wij geborgen zijn in de toekomst, wat deze ons ook brengt. Ik las ergens dat wij ‘de beperkingen die ons zijn opgelegd in stilte kunnen verdragen als een daad van protest, als een stille klacht over de ellende die ons treft. Daarmee geven wij blijk van onze solidariteit en verantwoordelijkheid voor elkaar. Onze stilte is een teken van hoop dat we er door zullen komen en eens opnieuw uit volle borst een loflied zullen zingen.’

Amen

  • Stilte
  • Orgel- of pianospel
  • Gebed

Dat een mens wordt wie en wat hij ten diepste is,

dat is wat je hopen zou;

en dat hij de moed vindt

zichzelf zo ernstig te nemen

dat hij doet wat hem wat dat betreft te doen staat.

Maar de werkelijkheid van ons bestaan is zo anders;

niet zelden jaagt wat zich in de diepere lagen van het bewustzijn

aandient ons schrik en angst aan,

niet zelden gaan we daarvoor op de loop

Misschien wel met name nu,

nu heel ons samenleven ten prooi dreigt te vallen

aan een zo ongrijpbare vijand.

In de verwarring die dat alom teweeg brengt en zoeken we troost bij wat ogenschijnlijk wél houvast biedt.

Dat is niet hetzelfde voor ons,

de één vindt  een ander houvast dan de ander,

dat wij elkaar daartoe de ruime laten.

Maar wij bidden dat het gezochte en gevonden

houvast zo min mogelijk in verbinding staat met

en voortkomt uit

onze boosheid of angst

maar dat het wortelt in het besef dat

vertrouwen en de liefde de uiteindelijke bodem is van ons bestaan.