DE WOUDKAPEL                                                                               zondag 3 maart 2019

 

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Organist/pianist: Jan Siemons

 

Liturgie

Welkom, mededelingen, kaars, stilte

 

Zingen                                                             NLB 213 (Morgenglans): 1, 2 en 3

 

Inleiding op de dienst

‘Inleiding op de dienst’. Bij het maken van deze liturgie heb ik geaarzeld wat ik hier, op deze plaats in de dienst zou doen. Het ligt voor de hand om iets te vertellen over bij voorbeeld het thema van de verdere dienst. Of om iets te lezen dat ráákt en ons met elkaar verbindt zodat onze respectievelijke neuzen voorzichtig dezelfde kant op gaan wijzen. Maar nu twee weken geleden zaten we met een aantal Woudkapellers in het Norbertijner klooster in Heeswijk Dinter. Daar zijn wij de zondag begonnen op een manier waarover ik u graag iets wil vertellen.

 

Wij volgden in dat klooster zoveel als mogelijk het ritme van de paters, door naar alle bijeenkomsten in de kerk te gaan, en samen met hen in de refter te eten en zo voort. Maar op zondagmorgen, tussen het ontbijt en de hoogmis in, zat zoveel tijd dat wij besloten een eigen programmaatje in te lassen. Wij zijn toen, met onze groep, naar een nabijgelegen bos gegaan om daar een zogenaamde loopmeditatie te doen. Terwijl ik daar liep ging de gedachte door mijn hoofd dat wat daar gebeurde zozeer de moeite waard was dat ik er vanmorgen iets over zou kunnen vertellen.

 

We waren met z’n twaalven, zes mannen en zes vrouwen. Voor we gingen lopen kregen we van Wyneke van Nouhuys, die de meditatie leidde, de instructie om onze voeten zorgvuldig neer te zetten en om iedere stap die we zetten moeite te doen om de grond te voelen. Verder vroeg zij ons om heel bewust te ervaren dat en hoe wij verbonden waren met wat er boven ons was en dus met de grond waarop wij liepen. Met andere woorden: zij nodigde ons uit om ontvankelijk te zijn voor onze verbondenheid met zowel de grond als met de hemel.

 

We liepen in een ganzenpas door een schitterend hoog populierenbos met open plekken waar veel water op stond. Het was prachtig weer maar omdat het licht vroor hing er een ijle verstilling.

 

In de verte was een weg te horen. Met name de af en toe langsrazende motoren snerpten door de vrieskou. Blijkbaar lag het bos onder de aanvliegroute van het Eindhovense vliegveld want met een zekere regelmaat kwamen er vliegtuigen over. Op een gegeven moment hoorde ik in de verte kerkklokken beieren.

 

Terwijl ik heel stil, stap voor stap mijn voeten zorgvuldig afrollende verder wandelde, raakte ik tot mijn verrassing in een soort trance. Ik voelde de aarde onder me, de hemel boven me en het bos om me heen. En de geluiden die mij aanvankelijk nogal stoorden, begonnen me één voor één dierbaar in de oren te klinken. Ik zag die krap opgevouwen mensen in dat bedompte vliegtuig voor me, verlangend als ze zijn naar hun plaats van bestemming, ik herkende ze en wist me met hen verbonden. De auto’s en motoren die op dat vroege uur over de naburige weg raasden hadden iets eenzaams in hun vastberadenheid. Met hun inzittenden kreeg ik tot mijn verrassing een band. We maakten deel uit van eenzelfde wereld. Ook ik ben op weg naar, naar God weet wat. Hun blinde vastberadenheid werd de mijne. Op een vergelijkbare manier begon ik me te vereenzelvigen met degenen die in de verte op het gebeier van de kerkklokken afkwamen om samen stil te worden in een kerkdienst. Als ik mijn best deed, kon ik de wierook ruiken.

 

We liepen door een lange laan met links en rechts de hoge, nog kale bomen die de beleving van een verticale verbondenheid accentueerden. Het kostte geen enkele moeite om stil te zijn en niets te zeggen. Want in de stilte openbaarde zich een besef van één zijn met de hele schepping, met alles en iedereen die daarop woont. Wij allemaal, wij delen één en dezelfde wereld, één en hetzelfde verlangen en één en dezelfde hoop: naar eenvoud, oprechtheid en harmonie. Én naar gekend en herkend te zijn.

 

Orgel of piano

 

Schriftlezing

Genesis 4: 8Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’  Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. 11Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. 12Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’

13Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod,  een land ten oosten van Eden.

 

Zingen                                                             NLB 942 (Ik sta voor u)

 

Overweging

Misschien hebt u van de week de documentaire Noa ’t zuuje op de televisie gezien? Deze bijzondere documentaire laat heel overtuigend zien welke centrale plaats het carnaval in in dit geval Venlo inneemt. Het blijkt een heel wezenlijke uitlaatklep te zijn voor mensen die in meer dan één opzicht dicht op elkaar leven. Dat zo dicht op elkaar leven wordt daar in Venlo over het algemeen als plezierig ervaren maar dat neemt niet weg dat het op momenten ook kan benauwen. Carnaval biedt dan de mogelijkheid om adem te halen en met die benauwenis af te rekenen.

 

Van oudsher is het zo dat iedere periode van het jaar een eigen kleur en eigen thematiek heeft. Hier, in de Woudkapel, zijn wij daar niet zozeer mee bezig, met die almaar terugkerende ‘adem van het jaar’. We vieren natuurlijk de grote feesten als Kerstmis en Pasen maar daar houden we het bij. Vanmorgen, op deze zondag in het weekend dat met name in het zuiden van ons land Carnaval wordt gevierd, wil ik desondanks eens met u stilstaan bij de periode die daarmee wordt ingeluid. Wat is de gedachte die er onder ligt? Waar lag en ligt de focus?

 

Carnaval wordt altijd gevierd in het weekend vóór Aswoensdag, de dag waarop de Vastentijd begint. Dit feest gaat dus aan de Vasten- of Lijdenstijd vooraf. In die ruim veertig dagen voor Pasen durende periode wordt met name stil gestaan wordt bij de pijn, de leegte, het verdriet en het lijden dat met het leven gegeven is. Die weken van verstilling en inkeer, waarin men dus de donkere kanten van het leven tot zich laat doordringen, worden beleefd als een voorbereiding op het grote feest van Pasen. Dan immers is het donker overwonnen. Dan ademt de wereld op.

 

Door de eeuwen heen hebben mensen het altijd van belang geacht om heel bewust aandacht aan die donkere kanten van het bestaan te besteden. En om daar ook ruimte voor te maken. Voor ons is dat, althans zo ervaar ik het, minder vanzelfsprekend. Wij stippen ze aan, vanzelfsprekend, maar het accent ligt, althans dat is mijn gevoel daarbij, op plezierige, warme en lichtere gevoelens.

 

Over de reden daarvan, of althans over de ontwikkeling die daartoe geleid heeft, valt wel het één en ander te zeggen. Want ook in de protestantse wereld is het wel eens anders geweest. We kennen natuurlijk allemaal de karikatuur van de ‘hel en verdoemeniskerken’. Dat is een extreme uiting van wat vroeger als min of meer normaal beschouwd werd. Ook uit afkeer van het dreigen dat met een dergelijke prediking gepaard gaat, hebben wij dat achter ons gelaten. Maar die afkeer is niet de enige reden geweest voor de recente ontwikkelingen in de toon van de prediking. Ik las ergens in een artikel dat dit verschijnsel ook te maken heeft met de veranderende plaats van de godsdienst in onze samenleving.

 

Door de eeuwen heen was de universele rol van godsdiensten over de hele wereld min of meer dezelfde. Goddiensten fungeerden als middel om mensen te laten aarden en wortelen. Zij dienden als instrument om mensen hun plek te laten vinden in een wereld die er was vóórdat zij er waren en die er is als zij er al lang niet meer zullen zijn. Om te kunnen aarden en wortelen is het van belang (en ik citeer nog steeds dat artikel), om te kunnen aarden en wortelen is het van belang dat zij zich verzoenen met hun tekorten, hun schuld, hun kwetsbaarheid en uiteraard hun sterfelijkheid.’

 

Het is lastig om nu te stellen dat onze godsdienst die rol niet meer heeft. Dan zou ik ongepermitteerd generaliseren. Maar tegelijkertijd vermoed ik dat u in elk geval íets van die genoemde verandering zult kunnen herkennen. U zou toch verbaasd uw wenkbrauwen fronsen als ik u hier nadrukkelijk in gesprek zou brengen met uw besef van tekort gekomen zijn, van schuld dus en van sterfelijkheid. Ik vermoed dat u zou gaan steigeren en mij te verstaan zou geven dat u daar echt niet op zit te wachten.

 

Het eerder genoemde artikel beschrijft dat moderne mensen er over het algemeen voor kiezen een ander accent te zetten. De moderne mens is mondig geworden en wil niet gekapitteld worden: zonder twijfel is er van alles op zijn doen en laten aan te merken maar daar heeft zo’n priester of dominee niets mee te maken. Als het al zo is dat hij het zich permitteert iets met kerk te hebben, dan zou hij daar geholpen willen worden bij het bewustzijn te beschikken over zoiets als een blije kern, over een diep en ongeschonden zelf. Want wie die kern kent en ermee in contact kan treden, zal er in slagen om van daar uit langs ‘de dagelijkse ruis’ te leven. Dat is, nogmaals volgens de schrijver van het artikel dat ik las, ‘modern geloven’. Het is het eigentijds verlangen om terug te keren naar de basis die iedereen bezit. En dat is het basale besef en het diepe weet hebben van geluk en harmonie.

 

Dat is, en ik hoop dat u dat aanvoelt, een heel andere exercitie dan het traditionele in de weer zijn met verantwoordelijkheid, schuld, ziekte en dood. Voor deze omslag worden door degenen die het verschijnsel bestuderen verschillende redenen aangevoerd. Zo zou het te maken kunnen hebben met het feit dat de dood, veel minder dan dat vroeger het geval, een realiteit is in het leven van ook jonge mensen.

Daarnaast wordt genoemd, en ook dat is interessant, dat ons zelfbeeld het niet verdraagt als al te nadrukkelijk tot ons doordringt dat wij niet alleen tekort schieten en ontrouw zijn, vooral aan onszelf, maar ook dat we nietig en vluchtig zijn ‘als het gras dat er heden is en morgen in de over geworpen wordt’ zoals de evangelist Mattheus dat verwoordt. En om ons zelfbeeld niet te veel op de proef te stellen, hebben we het maar liever niet over deze en dergelijke dingen.

 

Vanmorgen wil ik u ook nog één andere invalshoek voorhouden. Eigenlijk vooral omdat wat ik daarover las mij nogal trof. Ik ben benieuwd of u het zult herkennen. Het zou zo kunnen zijn (en het zijn niet de eersten de besten die dat vermoeden), het zou zo kunnen zijn dat de moderne mens er niet van houdt dat zijn tekortkomingen of zijn sterfelijkheid uitgelicht wordt omdat het vertrouwen, of, als u dat wilt, het geloof dat hem overeind houdt, daar niet tegen opgewassen is. En dan bedoel ik te zeggen dat die moderne mens niet meer bestand is tegen de realiteit van bestaan. Hij is, met andere woorden, te bang geworden. En daarom is hij vooral bezig zichzelf te beschermen. Wanneer hij de niet zelden bittere werkelijkheid op alle mogelijke manieren verdoezelt, relativeert of te ontkent, dan is dat een poging om zichzelf te redden.

 

Ik ga u dat illustreren met het volgende verhaal dat ik tegenkwam in een bundel waarin ervaringen van gevangenispredikanten staan opgetekend.

Het verhaal vertelt van een bijeenkomst van een groepje justitiepastores, vier gevangenispredikanten en vier gevangenisaalmoezeniers. Onder leiding van een gerenommeerde supervisor zouden zij een door een van de deelnemers ingebrachte preek tegen het licht houden.

 

Eén van de aalmoezeniers had een preek meegenomen die hij ergens in een parochie had gehouden. Het thema van de preek was: barmhartig zijn voor gevangenen. Het was een mooie preek, dat vond iedereen. Daarmee leek de kous af, totdat als allerlaatste een jonge priester het woord nam en zei: ‘Je wilt ons, geloof ik, op het hart binden dat wij barmhartig moeten zijn voor gevangenen, heb ik dat goed gehoord?’

Ja, dat had hij goed gehoord.

‘En je gaat er daarbij van uit dat ik dat wil?’

‘Wil je dat dan niet?’

De jonge priester aarzelde. ‘Nee’, zei hij toen, ‘ik geloof niet dat ik dat wil. Misschien klinkt dat niet erg gelovig?’.

Degene die het artikel schreef, een protestantse dominee, schrijft dat hij van dat antwoord schrok: ‘Alweer zo’n priester die van zijn geloof is afgevallen’. Hij moest zich bedwingen om niet een paar opbeurende woorden te spreken die moesten helpen om het geloof in de naastenliefde te redden.

Maar toen intervenieerde de supervisor: ‘Ik wil het ook niet’. En hij vervolgde: ‘Willen de heren soms weten wat ik vorige week dacht toen die twee kerels die pompbediende hadden doodgeschoten?’

Dat wilden ze.

Ik dacht: ‘Ze moesten ze gvd aan de hoogste boom ophangen. Herkennen jullie dat?’

Dat bleek het geval te zijn wat voor de supervisor aanleiding was om te vragen: ‘Waarom preken jullie dáár dan niet over?’.

‘Dat gaat niet’, zei iemand.

‘Waarom niet?’

‘Dan springt de geest uit de fles.’

‘En je bent bang dat je ‘m er niet meer in krijgt?’

‘Inderdaad.’

‘Met andere woorden, je zegt: ik kan de duisternis wel laten zien maar ik ben bang dat als ik dan het lichtje van het evangelie aandoe, dat ik het daarmee niet red.’

‘Precies.’

‘Je bent dus bang dat het geloof het niet van het ongeloof zal kunnen winnen, is dat het?’

‘Ik denk het wel, ja.’

‘En dus besloot je het maar nergens over te hebben.’

‘Dat begrijp ik niet.’

‘Wel, geloven of vertrouwen neemt het op tegen ongeloof of een gebrek aan vertrouwen. Wie het over geloven of vertrouwen wil hebben, moet het eerst over het gebrek daaraan hebben.’

 

In deze dialoog gaat het er dus over dat we moed nodig hebben om over ook onze donkere kanten te spreken. En dat die moed gevonden kan worden in het vertrouwen op zoiets als uiteindelijke vergeving. Dat we er mogen zijn zoals we zijn, met alles d’r op en d’r an. Wie dat vertrouwen ontbeert, zal aarzelen om eerlijk en open zijn spiegelbeeld onder ogen te komen.

 

Het is een zondermeer rauw fragment dat ik u voorlas uit het boek Genesis. Dat ik er toch voor koos, is omdat het een oerverhaal is dat verbeeldt hoe de mens ten diepste in het leven staat. Het geeft woorden aan een besef van pijnlijke ontrouw. En aan de existentiële schuld die een mens meezeult. Wamt of hij dat nu heeft gewild en bedoeld of niet, hij heeft hij deel aan vernieling, aan vernedering en dood van zijn broeders en zusters. Dat maakt hem tot een eindeloos eenzaam dolend wezen. Dat maakt hem bang te moede. Het bestaan is hem te zwaar. Hij kan de last van dat inzicht en die kennis niet dragen. Daarom, zo wordt er verteld, krijgt hij een teken. Al eeuwen houden theologen zich bezig met de vraag wat zij zich daarbij voor moeten stellen. Wat zou dat teken kunnen zijn? Er is niemand die op die vraag het antwoord geven kan. Maar het doet er ook niet toe. Wat gezegd wil zijn, is dat de mens (Kaïn is hier pars pro toto), dat de mens niet hopeloos overgeleverd is aan het eenzame inzicht in wie hij is. Hij mag léven, met een hoofdletter L. Want sinds Kaïn staat, verborgen in ons diepste bewustzijn gegrift dat de krachten ten leven sterker zijn dan alles wat ons bezwaard. De kunst is om bij die bij die waarheid te komen, om haar op te diepen en in te zetten als kompas bij er voor ons ligt.

 

In zekere zin lijkt het leven daarom op de loopmeditatie waarover ik u vertelde. Onze voorouders oefenden zich in de weken vóór Pasen erin om hun donkerte onder ogen te komen. Stukje bij beetje lieten zij tot zich doordringen wat hun stoorde en wat zij het liefst weg zouden denken. Stap voor stap gingen zij zich ermee verzoenen tot zij het uiteindelijk konden omarmen. Het licht van Pasen daagde. Langzaam maar zeker komt het op boven de horizon, een horizon die met de dag dichterbij komt.

Amen

 

Stilte

 

Orgel of piano

 

Gebed

 

Stil gebed

 

Onze Vader

 

Zingen                                                             BB 24 (Heer, leer ons zien)

 

Zegen