Dit is de dienst van 3 februari jl. Ds Pieter Lootsma zal op zondag 3 maart weer voorgaan in De Woudkapel om 10.30u.

De Woudkapel                                                                        zondag 3 februari 2019

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Organist: Gerard Zwart

 

liturgie

0 welkom, mededelingen, kaars, stilte etc.

 

0 zingen                                                                         NLB 225 (Zingen wij van harte zeer)

 

0 inleiding op de dienst

Misschien hebt u zich verbaasd over de afbeelding op de voorkant van de liturgie? Dat zou heel goed kunnen. Een foto van de gouden koets op het binnenhof in Den Haag, wat zou dat met een dienst in februari van doen kunnen hebben? Wel, meer dan u op het eerste gezicht zou denken. Ik zal het uitleggen. Vanmorgen wil ik met u nadenken over de vraag in hoeverre wij ons laten gezeggen door onze geschiedenis. En dan bedoel ik dat wij ons af kunnen vragen of onze geschiedenis of de traditie waarin wij staan een belangrijke, zwaarwegende factor is bij het nadenken over of het gestalte geven aan de toekomst.

 

Toen ik afgelopen maandag de liturgie van deze dienst aan Jan Siemons, die er dan altijd voor zorgt dat u zo’n mooi uitgevoerd boekje in handen krijgt, mailde, vertelde ik hem waar het vanmorgen over zou gaan. Hij heeft de gewoonte om bij dat thema of onderwerp een passend plaatje te zoeken. Ik moet zeggen dat ik verrast was toen ik die gouden koets zag voorrijden maar ik begreep onmiddellijk wat de gedachte er achter moet zijn geweest.

 

Immers, op Prinsjesdag ontvouwt de regering haar plannen voor de toekomst. Maar er is geen dag in het jaar waarop we de traditie waarin wij staan met zoveel nadruk neerzetten. Hoe verhoudt het één zich tot het ander? De vraag is of iemand vrij, creatief en speels over de toekomst na kan denken als hij zijn traditie en geschiedenis zo nadrukkelijk neerzet? De foto die Jan Siemons koos stelt dat spanningsveld present.

 

Volkomen vrijdenkers hebben vaak een losse verhouding met tradities. Het omgekeerde daarvan zou ook wel eens het geval kunnen zijn. En dan bedoel ik dat wie een sterk accent zet op tradities wel eens moeite zou kunnen hebben zich een voorstelling van de toekomst te maken.

 

We gaan luisteren naar muziek. Onderwijl kunt u alvast wat mediteren op die vraag.

 

0 piano- of orgelimprovisatie

 

0 schriftlezing

Marcus 12: 13Ze stuurden enkele farizeeën en herodianen naar hem toe om hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken. 14Toen ze bij hem gekomen waren, zeiden ze tegen hem: ‘Meester, we weten dat u oprecht bent en dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen. U kijkt niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?’ 15Maar omdat hij hun huichelarij doorzag, antwoordde hij: ‘Waarom stelt u me op de proef? Laat me eens een geldstuk zien.’ 16Ze gaven hem een munt en hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ ‘Van de keizer,’ antwoordden ze. 17Toen zei Jezus tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ En ze waren met stomheid geslagen.

 

0 zingen                                                                       BB 33 (Ik zoek een land waar vrede is): 1, 4 en 5

 

0 overweging

In de afgelopen maand las ik het boek Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. En ik kan u zeggen dat het een geweldige indruk op mij heeft gemaakt. Ik zal u er in het kort iets over vertellen.

 

Verpakt in een liefdesgeschiedenis analyseert Pfeijffer hoe wij ons in ons deel van de wereld tot onze geschiedenis verhouden. Hij doet dat aan de hand van tal van soms grappige en soms confronterende observaties die allemaal met het toerisme te maken hebben. Ik ga daarover nu niet verder op in maar deel wel zijn conclusies. Pfeijffer toont wat mij betreft overtuigend aan dat wij zo in de ban zijn van onze rijke geschiedenis dat wij nauwelijks ruimte hebben om vooruit te kijken en te denken. Hij laat zien hoeveel er wel niet wordt geïnvesteerd in het restaureren van steden, in het in stand houden van musea of het vertellen van hoe de dingen hier vroeger waren. En we doen dat zo verleidelijk en overtuigend dat als er ergens ter wereld geld wordt verdiend en de mensen dus wat ruimer in hun vel komen te zitten, dat dan hun eerste verlangen is om naar Europa te komen om al dat moois te zien en te ervaren. In een reis langs plaatsen als onder meer Genua, Venetië maar ook Amsterdam en Giethoorn laat hij zien hoe Europa zo langzamerhand de Efteling van de wereld aan het worden is. Op zich is dat misschien niet eens zo erg. Als wij daar veel geld mee zouden verdienen is het een manier om onze broek op te houden. Maar dat blijkt helemaal niet het geval te zijn. Integendeel zelfs. Het in stand houden van een stad als bij voorbeeld Venetië kost eindeloos veel meer dan het toerisme oplevert. Maar in onze beleving doet dat er niet toe. Voor ons staat het als een paal boven water dat onze oude steden, de kunst uit vervlogen tijden en allerhande folklore coute que coute beschermd moeten worden.

 

En daar komt dan bij dat er tegelijkertijd een ontwikkeling gaande is waarbij alle industrie, alle maakindustrie, uit Europa aan het verdwijnen is. Misschien hebt u gisteren op de televisie het item over de hoogovens gezien? Mijn eerste gedachte was: hoe kan het in godsnaam dat een dergelijk bedrijf nog in de Randstad opereert?

 

Meer dan waar ook ter wereld zijn wij bezig met het conserveren en tentoonstellen van onze geschiedenis. Als we niet oppassen gaan wij met die geschiedenis samenvallen. En dat, zo constateert Pfeijffer, komt regelrecht in mindering op onze ruimte aan de voorkant. We zijn een bezienswaardigheid aan het worden. Maar door onszelf zo te gaan beschouwen luiden wij het einde van onze cultuur in.

 

Ik realiseer me dat dit allemaal tamelijk somber klinkt. Met dat gevoel sloeg ik het boek, toen ik het uit had, ook dicht. Er zal, zo troost ik mijzelf, hier en daar wel het nodige op af te dingen zijn. Ongetwijfeld zit er ook een andere kant aan wat Pfeijffer allemaal waarneemt. Maar vanmorgen nodig ik u uit om niet meteen cynisch te reageren en de observaties van Pfeijffer met allerlei tegenwerpingen onschadelijk te maken maar om ze eens in alle rust tegen het licht te houden.

 

Zou het waar kunnen zijn dat wij zozeer hechten aan onze maatschappelijke en politieke structuren, aan de verworvenheden van het verleden, aan de waarden die onze wereld groot hebben gemaakt en de schoonheid van wat er hier is geproduceerd dat wij inderdaad een wezenlijk deel van onze energie investeren in het in stand houden daarvan? Met dan dus als resultaat dat wij, waar het de toekomst betreft, de boot missen?

 

Het is overigens maar de vraag of dat erg is. Dat realiseert Pfeijffer zich ook. Culturen komen en culturen gaan, zo is het nu eenmaal. Dat is iets dat ons overkomt. Wij kunnen daar nauwelijks of geen invloed op uitoefenen.

 

Maar dat neemt niet weg dat ik de afgelopen dagen heb nagedacht over voorbeelden dicht bij huis van waar Pfeijffer over schrijft. Die zijn er te over. Denkt u eens aan de noodzaak voor bedrijven om voortdurend te innoveren. Wanneer zij dat niet doen (lees: wanneer zij op hun lauweren rusten en op de oude voet verder denken te kunnen gaan), dan leggen het af tegen de concurrentie die zich niet zelden in andere delen van de wereld bevindt. Maar ik moest ook denken aan het eenwordingsproces van Europa dat steeds gedwarsboomd wordt door sentimenten die voortkomen uit de hang naar wat geweest is. En aan de onvolprezen welstandscommissies in dit land die zich onvermoeibaar buigen over de vraag of u wel of niet een lichtkoepel in het dak van uw huis mag maken. Eén van hun meest overtuigende argumenten is dat het een dergelijke ingreep een aantasting zou betekenen van de omgeving waarin uw huis staat.

 

Een voorbeeld van een heel andere orde is de liefde. Want ook in de liefde kan zich iets dergelijks aandienen en ik vermoed dat dat voor velen, ook hier vanmorgen, herkenbaar zal zijn. Ook in de liefde kunnen we zoveel verleden hebben, en dat verleden kan zo pregnant zijn, dat er eigenlijk geen ruimte over is om nog vooruit te kijken, laat staan om je op de toekomst te verheugen.

 

Waar we het hier over hebben is natuurlijk geen nieuw probleem. En het is ook niet iets dat zich exclusief in ons deel van de wereld aandient. Daarvan getuigt het verhaal dat we lazen uit het evangelie naar Marcus. Ik denk dat we er van uit mogen gaan dat het gesprek over de relatie van wat voorbij is met wat ons te wachten staat hoort bij het mens-zijn. Waar mensen waren of zijn wordt dat gesprek gevoerd.

 

Marcus zet in zijn verhaal de farizeeën en de herodianen tegenover Jezus. De farizeeën en herodianen verlangen met respect te worden behandeld. Zij zijn eraan gewend geraakt dat de mensen het een eer vinden om in hun buurt te worden gezien. Het ook niet niks wat zij voor de samenleving doen. Met een gepaste distantie houden zij zich bezig met wat aan hun zorg is toevertrouwd: de cultuur, de traditie, de schatkamers van het geloof, ja eigenlijk (zo menen zij) het geluk van de mensen! Zij luisteren, slaan de oude boeken er op na, ze meten en rekenen en vellen een oordeel. Zij kwijten zich op een bewonderenswaardige manier van hun taken. Daar is eigenlijk iedereen het wel over eens.

 

Daar tegenover zet Marcus de figuur van Jezus. Hij verbeeldt dan ook het tegenovergestelde. In zijn eentje staat hij voor de niet zelden kwetsbare dromen van ons mensen. Voor een onorthodoxe vrijmoedigheid en onbevangenheid die, zo wil het verhaal, onrustig maakt en zelfs angst inboezemt.

 

Het dispuut tussen beiden heeft alles te maken met de vraag die wij ons vanmorgen stellen: aan wie of wat zijn wij met name schatplichtig? Aan wat we met elkaar hebben opgebouwd en wat we dus in handen hebben? Zo zouden we ‘wat des keizers is’ kunnen begrijpen. Hij bewaakt het systeem, de orde en traditie. Of zijn we vooral schatplichtig aan iets anders, iets onbenoembaars, iets waarvan wij op onze beste momenten vermoeden dat het uiteindelijk en allesbepalend is? Daar komt Jezus om de hoek kijken. In hem mogen wij al die (vaak jonge) mensen herkennen die op zoek zijn naar een eigen gestalte en een geloofwaardige identiteit. Die zich niet gezien of herkend voelen door wat ergens onderweg vanzelfsprekend en daarom van onopgeefbaar belang is geworden.

 

Jezus kiest positie tegenover de heersende orde die in een zorgvuldig ingericht en uitgelicht décor gaat zitten debatteren over hoe het zit en hoe het nu verder moet. Ik zeg nadrukkelijk óver hoe het zit en óver hoe het verder moet. Want daarin onderscheidt hij zich van die farizeeën en herodianen. Terwijl de hoge heren met elkaar nadenken en praten óver de dingen waarvoor zij zich verantwoordelijk weten, zit hij er middenin. Terwijl de schriftgeleerden dreigen te blijven steken in hun beschouwingen over de verplichtingen die iemand aan de samenleving heeft, laat hij in alle eenvoud met zijn hele doen en laten zien waar het, laat ik zeggen, ‘God’ om is begonnen.

 

Dat wij die oude verhalen met zoveel zorg en eerbied aangereikt hebben gekregen is omdat door de eeuwen heen, keer op keer weer bleek dat een mens tot de meest wonderbaarlijke dingen in staat is wanneer het hem gegeven is zich toe te vertrouwen aan de mogelijkheid te leven vanuit het geloof dat het allemaal niet afhangt van wat hij al in handen heeft. Wanneer hij, met andere woorden, de ruimte en de vrijheid vindt om zijn leven te leven in de richting van wat de wereld die hij zich droomt. Hij werpt zijn anker niet langer uit in wat hij heeft of waar hij deel van uitmaakt maar hij vindt houvast in waar hij naar verlangt of op hoopt.

 

Ik wil u er vanmorgen niet van overtuigen dat wij op zouden moeten houden met het koesteren van onze geschiedenis of tradities. Misschien is het goed om dat te onderstrepen. En bovendien realiseer ik mij natuurlijk dat ik de kans loop grootheden met elkaar te hebben vergeleken die in principe onvergelijkbaar zijn. Het gesprek tussen wat we in handen hebben en waar we naartoe leven is te complex om in het bestek van deze dienst te behandelen. Maar ik hoop dat ik u desondanks heb uitgenodigd eens met uzelf in gesprek te gaan over waar u uw houvast vindt en waar zich ruimte aandient.

 

Ik kan het niet laten om te besluiten met een discussie die deze dagen in de media wordt gevoerd, namelijk over de vraag in hoeverre de aangekondigde scholierenstaking al dan niet gerechtvaardigd is. Ikzelf wordt in elk geval heel blij van wat er zich aftekent. Want ik lees er in dat er een generatie opstaat die zich niet langer murw laat praten door de gewichtigdoenerij over bij voorbeeld de economische belangen die er op het spel staan in de klimaatdiscussie. Deze generatie omarmt een hoger doel. En dat doel rechtvaardigt zij met het geloof in een toekomst die zij terecht de hare noemt. Dat getuigt niet alleen van een gevoel voor verantwoordelijkheid maar er spreekt ook het vertrouwen uit dat er invloed kan worden uitgeoefend op hoe de toekomst er uit zal zien. En die invloed wil zij uitoefenen, ongeacht wat de gevestigde orde, de minister of wie dan ook daarvan denkt. Want de toekomst is aan ons. En niemand die hem ons afneemt.

Amen

 

0 stilte

 

0 orgel- of piano-improvisatie

 

0 zingen                                                                         BB 37 (Kom in mij)

 

0 gebeden

Wie ben ik en waarin

vind ik in godsnaam mijn houvast?

In de ruimte die mij ter beschikking staat

zoek ik tastend mij een weg,

met vallen en met opstaan,

alleen, in samenspel met anderen,

of misschien met u, mijn God?

 

Ik kan alleen mijzelf als middelpunt

van alles wat gebeurt beleven.

Ik zou wel anders willen.

Hoewel, ik weet niet wat ik zeg.

Ik zou in de verdrukking komen,

verdampen en verdwijnen,

onopgemerkt ten onder gaan.

 

Dat ik desondanks een doel mag hebben,

een richting vinden zal,

en zin ook en vertrouwen,

dat eenmaal nog het tij zich keert

en ik een anker vinden zal en ik

opnieuw geloven mag

dat alles anders worden kan.

 

0 zingen                                                                         NLB 657 (Zolang wij ademhalen): 1 en 4

 

0 zegen