zondag 2 februari 2020

 

De Woudkapel, Bilthoven                                                             zondag 2 februari 2020

 

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Organist: Jan Siemons

 

Liturgie

0 Welkom etc.

 

0 zingen                                NLB 213 (Morgenglans): 1, 2 en 5

 

0 inleiding op de dienst

Ken je mij van Huub Oosterhuis, zang door Trijntje Oosterhuis

 

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben je dan?

weet jij mij beter dan ik?

 

Ogen die door de zon heen kijken,

zoekend naar de plek waar ik woon.

ben je-

beeldspraak voor iemand

die aardig is of onmetelijk ver,

die niet staat en niet valt en niet voelt

als ik, niet koud en hooghartig.

 

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

 

Hier is de plek waar ik woon:

een stoel op het water, een raam

waarlangs het opklarend weer

of het vallende duister voorbij vaart.

Heb je geroepen? Hier ben ik!

 

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

 

Ik zou één woord willen spreken,

ooit, dat waar en van mij is,

dat draagt wie ik ben, dat het houdt.

en oprecht staat

als een mens, die mij aankijkt

en zegt:

ik ben jouw zuiverste zelf,

vrees niet, versta mij, ik ben.

 

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

 

Ben jij de enige voor wiens ogen

niets is verborgen van mijn naaktheid?

Kan jij het hebben, als niemand anders,

dat ik geen licht heb, niet warm ben,

dat ik niet mooi ben, niet veel,

dat geen bron ontspringt in mijn diepte,

dat ik alleen dit gezicht heb,

geen ander.

Ben ik door jou, zonder schaamte,

gezien, genomen,

door niemand minder?

Zou dat niet veel teveel

waar zijn?

 

Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben je dan?

Weet jij mij beter dan ik

 

0 orgelspel

 

0 schriftlezing                                   Psalm 139: 1-18

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,

2u weet het als ik zit of sta,

u doorziet van verre mijn gedachten.

3Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,

met al mijn wegen bent u vertrouwd.

4Geen woord ligt op mijn tong,

of u, HEER, kent het ten volle.

5U omsluit mij, van achter en van voren,

u legt uw hand op mij.

6Wonderlijk zoals u mij kent,

het gaat mijn begrip te boven.

7Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,

hoe aan uw blikken ontkomen?

8Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,

lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

9Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,

al ging ik wonen voorbij de verste zee,

10ook daar zou uw hand mij leiden,

zou uw rechterhand mij vasthouden.

11Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,

het licht om mij heen veranderen in nacht,’

12ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –

de nacht zou oplichten als de dag,

het duister helder zijn als het licht.

13U was het die mijn nieren vormde,

die mij weefde in de buik van mijn moeder.

14Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,

wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.

Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

15Toen ik in het verborgene gemaakt werd,

kunstig geweven in de schoot van de aarde,

was mijn wezen voor u geen geheim.

16Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,

alles werd in uw boekrol opgetekend,

aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

17Hoe rijk zijn uw gedachten, God,

hoe eindeloos in aantal,

18ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn.

Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.

 

0 zingen                                BB 2 melodie B: Alleen te leven

 

0 overweging

Thuis, in Den Haag, geef ik iedere paar weken catechisatie aan een groepje middelbare scholieren. Omdat ik vermoed dat het me niet gaat lukken deze kinderen voor bijbelverhalen in het algemeen te interesseren, hebben we het over aspecten van onze Westerse cultuur waarvan ik denk dat zij ze herkennen en die wij hebben ontleend aan de bijbel. Ik breng dan onze dagelijkse werkelijkheid en verhalen uit de bijbel die daaraan ten grondslag liggen met elkaar in gesprek

 

Een voorbeeld daarvan is de aandacht die in de bijbel uitgaat naar het individu. In de bijbel weegt het belang van de enkele mens eigenlijk altijd zwaarder dan dat van de groep waar hij of zij deel van uitmaakt. Psalm 139 bezingt het goddelijke besef dat ik het aandurf in op eigen benen te gaan staan. En die durf heeft er volgens de dichter van de psalm mee te maken dat ik me op de een of andere manier gekend weet. We zouden dat ook zo kunnen zeggen, althans dat is taal die mij aanspreekt: ik kan op eigen benen staan omdat ik een transparante verhouding met mijzelf heb. Daarover wilde ik het vanmorgen met u hebben.

 

Dit thema of onderwerp kruiste mijn pad tijdens een bezoek aan een intussen oude meneer. Hij wilde mij over zijn leven vertellen. En dat dan met het oog op zijn begrafenis die ik te zijner tijd zou moeten leiden.

 

Hij vertelde mij zich eigenlijk al zijn hele leven alleen te hebben gevoeld. Dat verbaasde mij eigenlijk, onder meer omdat hij ondanks zijn leeftijd nog steeds een actief leven leidt en veel uitgaat: hij is lid van een sociëteit waar hij ook geregeld eet, hij bridget en gaat af en toe naar concerten en zo voort. Maar vooral zijn vroegere leven was verre van ‘alleen’. Hij had een groot en levendig gezin en bovendien een opmerkelijke carrière die met zich meebracht dat hij altijd veel mensen om zich heen had. Dat hij zich desondanks zo alleen voelde en altijd heeft gevoeld, kwam voor mij dan ook als een verrassing.

 

Daar spraken we over. Over dat je alleen voelen. Wat hij onder meer vertelde was dat dat zich alleen voelen altijd één van zijn drijfveren was geweest. Met hard werken in een in het oog springende baan hoopte hij dat gevoel kwijt te raken. Hij wilde zo vreselijk graag deel gaan uitmaken van de mensen om hem heen. Maar dat was hem ten diepste dus niet gelukt.

 

In de auto naar huis heb ik hier verder over na zitten denken. Blijkbaar is er een verschil tussen alleen zijn en je alleen voelen. Dat is een open deur, natuurlijk. Je kunt ‘Eenzaam maar niet alleen’ zijn; dat komt in de beste families voor. Maar hoe zit dat dan? Blijkbaar is de verhouding tussen het besef van wie en wat jij in je eentje bent én het deel uitmaken van een groep complex. Ben ik in mijzelf genoeg? Heb ik de anderen dus niet meer of maar ten dele nodig? Of ben ik iemand juist omdat ik deel uitmaak van de groep waarmee ik mij verbonden weet? Waaruit put ik bevestiging? Uit het gesprek met mezelf? Of speelt de groep daarin een rol? En ben ik dus alleen en op mijzelf aangewezen als ik me buiten de groep voel staan?

 

Zowel vorige week zaterdag als ook gisteren besteedde de NRC aandacht aan de vraag hoe het intussen zit met wat Paul Scheffer nu precies 20 jaar geleden (dus vóór 9/11 en de moord op Theo van Gogh) voorspelde in zijn essay ‘Het multiculturele drama’. De kop van vorige week was: ‘Op zoek naar een gedeelde identiteit’. Met onder andere een interview met Paul Scheffer werd uitgebreid teruggekeken naar hoe er toen gedacht werd over wat de verschillende immigratiegolven ons zouden brengen.

 

Ik heb één en ander met veel belangstelling zitten lezen, niet zozeer omdat de problematiek rond migratie en integratie mij zo bezig houdt maar vooral omdat ik die kwesties zie als een uitvergroting van wat ons allemaal treft. Ieder mens heeft het in zich om zich een vreemdeling te voelen, een buitenstaander. Het gevoel niet geworteld te zijn is niet iets exclusiefs voor migranten en vluchtelingen. Sterker nog, in de bijbel worden wij keer op keer uitgenodigd om dat besef ernstig te nemen. Wij zijn vreemdelingen, zoekers zijn we, passanten, onderweg naar een werkelijkheid die wij kennen uit onze dromen maar die niet samenvalt met die waarin wij onze dagen slijten.

 

Wat Scheffer in dat interview met hem benadrukt is dat er in een samenleving sprake moet zijn van wat hij een gezamenlijke ‘verbeelde orde’ noemt. Daarmee bedoelt hij dat we in gezamenlijkheid naar de wereld om ons heen moeten kijken. Wij met elkaar zijn onze zeventiende eeuw als de Gouden Eeuw gaan zien, wij, met elkaar, zijn gaan begrijpen dat Zwarte Piet als discriminerend kan worden ervaren, we hebben gezamenlijke bezwaren tegen het dragen van boerka’s en we zijn het er met elkaar over eens dat het hoog tijd is om ons slavernijverleden eens tegen het licht te houden. Zo’n met elkaar gedeelde ‘verbeelde ordening’ is nooit statisch. We zijn er onafgebroken over in gesprek. Maar wel: met elkáár. En zo houden we elkaar vast en zo houden we de, létterlijk, sámenleving in stand.

 

Een opmerkelijk voorbeeld vond ik de opmerking van Scheffer dat als zwarte mensen zich storen aan Zwarte Piet, zij dan vooral duidelijk maken dat zij deel willen hebben aan de hier geldende verbeelde orde omdat zij zich óók thuis willen voelen in deze samenleving. Daar zou de publieke opinie, volgens Scheffer, meer waardering voor moeten hebben. We zouden daar dus niet met z’n allen over moeten vallen maar ons moeten realiseren dat het een uitgesproken hoopvol signaal is. Waar het op neer komt is dat het er niet om gaat dat wie dan ook zou moeten integreren in de samenleving zoals hij nu is maar dat wij met elkaar integreren in de samenleving zoals hij zou kunnen zijn.

 

Enfin, u kunt het allemaal zelf in de krant nalezen. Het gaat over migranten en over vluchtelingen maar dus evenzeer over u en mij – allemaal mensen die onderweg stoeien met hun alleen zijn en die er zo naar verlangen deel uit te maken van het grote geheel.

 

Maar wat mij al lezend op begon te vallen en in zekere zin dwars ging zitten, was dat het allemaal uitsluitend leek te gaan over het op een behoorlijke manier gaan functioneren in het geheel van de samenleving. Dat daarvoor die gezamenlijke verbeelde ordening onmisbaar is, wil ik best aannemen. Maar wat nergens ter sprake kwam, is in hoeverre het ertoe doet om als mens, los van zo’n verbeelde ordening, op eigen benen te staan. Om autonoom te zijn en onafhankelijk. Om, met andere woorden, zelfbewust af en toe ook uit de verbeelde ordening te kunnen stappen en dan bestand zijn tegen de claimende macht ervan. Om dus het belang ervan óók te kunnen relativeren. Precies dat houdt die verbeelde ordening fluïde.

 

Op het gevaar af dat u de indruk krijgt dat ik mijn denken enkel baseer op kranten, vlugschriften en wat het internet aan informatie biedt, ga ik nóg een krantenartikel aanhalen. Het illustreert naar mijn idee wat er gebeurt als wij als individuen enkel en alleen dienstbaar zijn aan het grote geheel. Dus als wij onze identiteit ontlenen enkel en alleen aan de gezamenlijke verbeelde ordening. En wij ons, los van dat grote geheel, niet kunnen handhaven.

 

Het artikel stond op 9 januari in Trouw en was geschreven door Alexandra van Ditmars. Iemand van u stuurde het mij toe omdat hij vermoedde dat het mij zou interesseren. Q.E.D. Van Ditmars stelt de vraag aan de orde hoe het nu toch komt dat met name zoveel jonge mensen lijden aan een burn-out. Zij gaat in gesprek met tal van deskundigen en ik laat dat voor wat het is. Maar er is één citaat dat mij vanmorgen van belang lijkt. Ik lees het maar even helemaal voor:

 

‘Er is steeds meer op de schouders van het werkende individu terecht gekomen’, zegt Marli Huijer, hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit. ‘Meer marktwerking en het daarbij passende flexibele werken, hebben tot een enorme ondermijning van de sociale cohesie geleid. Het gevolg: mensen zijn steeds meer op zichzelf teruggeworpen om te kijken hoe hard ze werken. Vroeger verdedigde je met z’n allen de belangen, bijvoorbeeld middels vakbonden. Maar nu concurreert ieder voor zich om tijdelijke contracten. De collectiviteit valt daarmee uiteen, en jonge mensen werken zich een slag in de rondte. Het uiteenvallen van die gemeenschappelijkheid zorgt ervoor dat mensen zich alleen voelen staan. Het leidt zelfs tot existentiële onzekerheid: je weet niet of je dat volgende tijdelijke contract krijgt, of een andere postbezorger nóg meer gratis overuren draait of dat een andere freelancer net iets beter is. Iedereen staat er in zijn eentje voor.’

 

Tot zover dat citaat. Wellicht herkent u wat Huijer zegt. Dan weet u dat het klopt als zij zegt dat er veel van degenen waar zij het over heeft gevraagd wordt. En dat het niet zelden misgaat omdat deze jonge mensen te weinig basis hebben om dat aan te kunnen, dat ‘er in je eentje voor staan’.

 

En dan kom ik zo langzamerhand bij die door velen als favoriet bestempelde Psalm 139: ‘U kent mij, u doorgrondt mij..’.

 

Wat zou de reden daarvan kunnen zijn, dat er zovelen zijn die van deze psalm houden? Ikzelf vermoed dat het is omdat de psalm een diep menselijk verlangen verwoordt. Een mens wil aan één kant graag deel uitmaken van de groep waarin hij leeft, hij wil zondermeer deel uitmaken van zijn samenleving als geheel. Maar daarnaast en tegelijkertijd wil hij óók als individu herkend worden. Hij wil herkend en erkend worden als een eigen, exclusief en onvervangbaar schepsel.

 

Dat misschien wel in de eerste plaats. Wij zijn, althans zo werd er in het oude Israël gedacht, niet in eerste instantie bedoeld als middel om het grote geheel te dienen. Om de groep waartoe wij gerekend worden in stand te houden. Niet voor niets stond Israël aarzelend tegenover een te groot accent op de biologische vruchtbaarheid. Het vulde het begrip vruchtbaarheid liever op een andere manier in. Maar wij zouden, in onze tijd, kunnen zeggen dat wij er niet in de eerste plaats zijn om bij voorbeeld economische groei te bewerkstelligen. Of om het Vaderland te dienen. Of om de christelijke cultuur te verdedigen. Nee, wij zijn op de wereld gezet om ons te verwonderen over het feit dat wij en al die mensen om ons heen volstrekt eigen en oorspronkelijke mensen zijn. Wij zijn uitgenodigd om daar tijd voor vrij te maken. Álle tijd. Daarna komt dan een hele tijd niets totdat vanuit die verwondering over wie wij zijn min of meer vanzelf het ‘grote geheel’ in beeld komt.

 

Het jammere is dat onze verwondering over onze eigen uniciteit zo dikwijls naar de achtergrond wordt gedrongen. Niet zelden herkennen we het niet eens en negeren we het dus. Zoals het dus in het interview met Paul Scheffer dat ik aanhaalde, vooral gaat over ons vermogen te functioneren en deel te hebben aan het geheel van de samenleving.

 

Maar die Psalm 139 slaat een brug tussen ons bewustzijn en het verborgen verlangen om zicht te krijgen op wie en wat wij als eenlingen ten diepste zijn.

 

Om dat verborgen verlangen meer naar de oppervlakte te halen, is taal onmisbaar. In dat artikel over burn-out stond daarvan een aardig voorbeeld. Ik lees ook dat fragment even voor:

 

‘Neem bijvoorbeeld de term ongewenste intimiteiten of sexual harassment. Die term bestond vroeger niet. Vrouwenbewegingen in de jaren zestig zijn bewust op zoek gegaan naar een nieuwe termen om uitdrukking te geven aan seksueel gedrag dat noch flirten noch verkrachting was. Daardoor was er natuurlijk niet ineens sprake van meer ongewenste intimiteiten, maar wel van meer meldingen. Het nieuwe vocabulaire maakte mogelijk dat vrouwen hun ervaringen onder woorden konden brengen. Net zoals mensen dankzij de term burn-out beter doorhebben dat ze de werkdruk en stress niet meer aankunnen, en de signalen van hun lichamen beter oppikken.’

 

Hoe meer taal wij tot onze beschikking hebben, hoe dieper we kunnen afdalen in de nuances van ons onderbewustzijn. Ik vind dat mooi. Het onderstreept ook het belang van de poëzie.

 

Maar waar het, samenvattend, op neer komt, is dat ieder mens op zoek moet naar een eigen evenwicht tussen aan één kant een eigen, autonome identiteit en, aan de ander kant het besef deel uit te maken van een groep. Maar in het bijbelse denken begint het dus onmiskenbaar bij het eerste. Bij het zélf iemand zijn. Bij het op eigen benen staan en jezelf als een onvervangbaar en onvergelijkbaar schepsel zien en ervaren. Het is precies als bij de veiligheidsinstructies in een vliegtuig: je doet eerst je eigen zuurstofmasker op en dan pas help je de mensen om je heen met het opdoen van hun maskers.

 

De vervulling van het vaak verdrongen verlangen om werkelijk gezien, herkend en erkend te worden biedt ons eigenwaarde en liefde voor wie en wat wij zijn. Daarin speelt naar mijn idee de godsdienst een wezenlijke rol. Zij heeft tot taak ons op onze eigen benen zetten zodat wij ons teweer kunnen stellen tegen de uitputtende eisen die de samenleving aan ons stelt. Zo’n psalm als Psalm 139 wil een tegenwicht bieden tegen wat de buitenwereld van wel niet allemaal van ons vraagt.

 

Een wat dit betreft troostrijke perpectief wordt ons geboden wordt in één van de laatste verzen van het 13-de hoofdstuk uit het boek 1 Korinthiërs: Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.

 

Wie zich gekend weet, zal op eigen benen durven staan. Zo’n mens kan de hele wereld aan.

Amen

 

0 stilte

 

0 orgelspel

 

0 gebed

Wij dromen van een wereld

waarin wij mensen in vrede samenleven.

Maar wie de wereld van vandaag de dag beschouwt,

Zou vertwijfeld kunnen raken

Omdat mensen van elkaar vervreemd zijn

en elkaar op tal van plaatsen

naar het leven staan en

elkaar en elkaars namen vervloeken.

 

Zo verwordt het land uit onze dromen een beeld van hoe het níet moet en van hoe

Deze wereld onmogelijk bedoeld kan zijn.

 

Daarom bidden wij vanmorgen dat wij opnieuw ín de droom geholpen worden.

Dat wij ons niet van ons visioen laten beroven

en dat wij op weg geholpen worden

te doen wat in ons vermogen ligt om onze droom te verwerkelijken.

 

Dat wij leren naar onszelf te kijken met de ogen van wie ons vreemd zijn en te kijken naar wat en wie ons vreemd zijn met de eerbied die het leven toekomt.

 

0 zingen                                NLB 362: 1 en 3 (Hij die gesproken heeft)

 

0 zegen