De Woudkapel, Bilthoven                                                                               Pasen 2019

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Jan Siemons

fluit: Annemieke Hereijgers

 

liturgie

mededelingen etc.

 

zingen                         NLB 601

-onder het zingen wordt de nieuwe Paaskaars binnengedragen-

 

fragment uit de Paaspreek van Johannes Chrysostomus, aarstbisschop van Constantinopel van 398-403

Laat ieder die vroom is en Godminnend nu genieten van dit schone, stralende feest. Wie zich heeft afgetobd in de vasten, laat hij nu komen om de tienling in ontvangst te nemen. Maar hij die vanaf het eerste uur heeft gearbeid, laat hij komen en het loon ontvangen dat hem toekomt. Is hij eerst na het derde uur aangevangen, ook hij viere feest vol dankbaarheid. Zo iemand na het zesde uur is gekomen, laat hij niet aarzelen want ook hij zal geen schade lijden. Ook als hij gewacht heeft tot het negende uur, laat hem zonder vrees nadertreden. Ja zelfs als hij eerst te elfder ure gekomen is, laat hij niet bang zijn vanwege zijn traagheid want de Heer is edelmoedig en hij aanvaardt de laatste zo goed als de eerste. Zowel aan de arbeider van het elfde als die van het eerste uur verschaft hij rust. Aan de laatste betoont hij zijn barmhartigheid, aan de eerste schenkt hij hetzelfde om niet. Hij aanvaardt de werken maar ook de goede wil neemt hij in liefde aan. Hij beloont de daad en prijst het voornemen.

Of gij tot de eersten of tot de laatsten behoort, gaat allen binnen in de vreugde van onze Heer. Rijken en armen, weest één in uw blijdschap. Of gij nauwgezet of traag zijt geweest, viert samen deze feestdag. Verzadigt u allen aan het feestmaal van dit feest; verzadigt u allen aan deze overvloed van Gods goedheid.

Laat niemand nog klagen over zijn armoede want verschenen is het rijk waaraan eenieder zonder onderscheid deel heeft. Laat niemand nog jammeren over zijn zonden want uit het graf is de vergeving opgebloeid. Laat niemand nog vrees hebben voor de dood want de dood van de Verlosser heeft ons vrijgemaakt.

Waar o dood is uw prikkel?

Waar o onderwereld is uw overwinning?

Want Christus is opgestaan en de duivels zijn gevallen.

Want Christus is opgestaan en de engelen jubelen van vreugde.

Want Christus is opgestaan en oppermachtig heerst nu het leven.

Want Christus is opgestaan en geen dode blijft achter in het graf.

Christus immers opgestaan uit de doden is de eersteling van de ontslapenen geworden. Hem is de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen, Amen

 

zingen                         NLB 624

 

verhaal                         De nieuwe kleren van de keizer van Hans Christian Andersen

Vele jaren geleden leefde er een keizer die zo vreselijk veel van mooie, nieuwe kleren hield dat hij al zijn geld uit gaf om zich mooi te maken. Een rijtoer in het bos vond hij alleen maar leuk om zijn nieuwe kleren te laten zien.

De stad waar hij woonde lag op een route waar veel vreemdelingen langs reisden. Op een zekere dag kwamen er twee bedriegers, die zich voor wevers uitgaven naar de stad. Zij zeiden dat ze de mooiste stoffen konden weven die je je maar denken kon. Maar bovendien hadden deze stoffen de wonderbaarlijke eigenschap dat ze onzichtbaar waren voor iedereen die niet voor zijn ambt deugde.

‘Wat een fijne kleren’, dacht de keizer. Als ik die aan heb, kan ik erachter komen wie er in mijn rijk niet deugt voor zijn ambt. Die stof moet ik meteen laten weven! En hij gaf de bedriegers een flink handgeld, zodat ze met hun werk konden beginnen. Ze zetten ook twee weefgetouwen op en deden alsof ze werkten, maar er zat helemaal niets op het weefgetouw. Het geld dat ze kregen om draad te kopen stopten ze brutaalweg in hun zakken.

‘Nu zou ik eigenlijk toch wel eens willen weten hoever ze zijn met de stof’, dacht de keizer maar het werd hem wel een beetje vreemd te moede als hij eraan dacht dat wie niet voor zijn ambt deugde de stof niet kon zien. Hij wist natuurlijk wel dat hij voor zichzelf niets te vrezen had maar hij wilde toch liever eerst iemand anders sturen om te zien hoe het ermee stond.

‘Ik stuur mijn oude, eerlijke minister naar de wevers!’, dacht de keizer. ‘Hij heeft er verstand van en niemand doet zijn werk beter dan hij!’

Toen trad de brave, oude minister de zaal binnen waar de twee bedriegers aan de lege weefgetouwen zaten te werken. ‘De hemel beware me!’, dacht de oude minister en hij sperde zijn ogen wijd open. ‘Ik zie niets!’. Maar dat zei hij niet.

De beide bedriegers verzochten hem dichterbij te komen en vroegen hem of het geen mooi patroon was en of het geen prachtige kleuren waren. Toen wezen ze naar het lege weefgetouw en de arme, oude minister sperde zijn ogen steeds verder open maar hij zag nog steeds niets. ‘Lieve hemel!’, dacht hij, ‘Zou ik niet deugen voor mijn ambt? Ik kan ze toch niet vertellen dat ik de stof niet kan zien!’

‘U zegt zo weinig!’, zei de ene wever. ‘O, maar het is prachtig, gewoonweg schitterend!’, zei de oude minister, ‘dat patroon en die kleuren! Ja, ik zal aan de keizer zeggen dat het mij bijzonder goed bevalt!’

De keizer stuurde weldra weer een brave raadsheer om te zien hoe het met het weven ging en of de stof gauw klaar was. Het verging hem net als de minister, hij keek en keek maar omdat er niets anders was dan lege weefgetouwen zag hij niets.

‘En, is het geen prachtig stuk stof?’, vroegen de bedriegers en ze vertelden over het prachtige patroon dat er helemaal niet was. ‘Zou ik dan niet deugen voor mijn goede ambt? Dat is toch te gek!’ En daarom prees ook hij de stof die hij niet zag en verzekerde hen hoe goed de mooie kleuren en het prachtige patroon hem bevielen. ‘Het is gewoonweg schitterend!’ vertelde hij de keizer.

Toen wilde de keizer zelf ook gaan kijken. Met een hele schare uitgelezen mannen, waaronder de twee oude, brave raadslieden die er al eerder waren geweest, ging hij naar de listige bedriegers die nu uit alle macht weefden. Maar dat weven had geen draad om het lijf.

‘En, is het niet magnifiek?’ vroegen de twee brave raadslieden, ‘moet Uwe Majesteit eens zien, wat een patroon, wat een kleuren!’ En toen wezen ze op het lege weefgetouw, want ze dachten dat de anderen de stof vast wel konden zien.

‘Wat krijgen we nou?’, dacht de keizer, ‘ik zie niets! Maar dat is verschrikkelijk! Deug ik niet voor het keizerschap? Dit is het vreselijkste dat me kon overkomen!’

‘O, het is heel mooi!’, zei de keizer snel. ‘Het heeft mijn allerhoogste instemming!’ En hij knikte tevreden en bekeek het lege weefgetouw. De keizer gaf daarna ieder van de bedriegers een ridderorde voor in hun knoopsgat en de titel van weefjonker.

De hele nacht en de ochtend waarop de optocht zou plaatsvinden, bleven de bedriegers op en ze hadden wel zestien kaarsen aan. De mensen konden zien dat ze het druk hadden om de nieuwe kleren van de keizer af te krijgen. Ze deden alsof ze de stof van het weefgetouw haalden, ze knipten met grote scharen in de lucht, ze naaiden met naalden zonder draad en zeiden ten slotte:  ‘Kijk, nu zijn de kleren klaar!’

De keizer kwam zelf naar ze toe met zijn voornaamste hovelingen. De twee bedriegers hielden een arm omhoog alsof ze iets vasthielden en zeiden: ‘Kijk, hier is de broek. Hier is de jas. Hier de mantel! Het is licht als spinrag. Je voelt alsof je niets aanhebt maar dat is juist het bijzondere ervan!’

‘Zou het Uwe Keizerlijke Majesteit aller genadigst behagen uw kleren uit te doen?’, vroegen de bedriegers, ‘dan zullen we u de nieuwe aantrekken, hier voor deze grote spiegel!’

De keizer deed al zijn kleren uit en de bedriegers deden alsof ze hem steeds een van de nieuwe kledingstukken gaven die ze gemaakt zouden hebben.

‘Lieve hemel, wat staat dat mooi! Wat zit dat goed!’, zeiden ze allemaal, ‘wat een patroon! Wat een kleuren!’

De keizer draaide nog een keer voor de spiegel alsof hij zijn pracht nog eens goed wilde bekijken. De kamerheren die de sleep moesten dragen, tastten met hun handen over de vloer, alsof ze de sleep opnamen. Ze liepen iets in de hoogte te houden maar ze durfden niet te laten merken dat ze niets konden zien.

En zo liep de keizer in de optocht. Alle mensen op straat en voor de ramen zeiden: ‘Ach, wat zijn de nieuwe kleren van de keizer weergaloos, wat een prachtige sleep heeft hij aan zijn mantel! Het zit als gegoten!’ Nog nooit hadden de kleren van de keizer zo’n succes gehad.

Maar toen riep ergens een klein kind: ‘Maar de keizer heeft helemaal niets aan!’ En het riep nog een keer: ‘Hij heeft niets aan!’ En daarna gingen meer mensen datzelfde roepen totdat uiteindelijk het hele volk riep: ‘Hij heeft helemaal niets aan!’

De keizer kromp ineen want hij vond dat ze gelijk hadden. Eerst dacht hij: ‘Ik moet het maar tot het eind volhouden.’ Maar toen even later de kamerheren de sleep die er niet was loslieten, ontspande ook de keizer. Uiteindelijk moest iedereen hard lachen. Een golf van opluchting ging rond. Zelfs de keizer was blij dat er een einde was gekomen aan dat rare toneelstuk.

 

muziek

 

lezing uit de bijbel

Johannes 20: 1Vroeg op de eerste dag van de ​week, toen het nog donker was, kwam ​Maria uit Magdala​ bij het ​graf. Ze zag dat de steen van de opening van het ​graf​ was weggehaald. … 11Huilend boog ze zich naar het ​graf, 12en daar zag ze twee ​engelen​ in witte ​kleren​ zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van ​Jezus​ had gelegen. 13‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn ​Heer​ weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14Na deze woorden keek ze om en zag ze ​Jezus​ staan, maar ze wist niet dat het ​Jezus​ was. 15‘Waarom huil je?’ vroeg ​Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16Jezus​ zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17‘Houd me niet vast,’ zei ​Jezus. ‘Ik ben nog niet ​opgestegen​ naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18Maria uit Magdala​ ging naar de ​leerlingen​ en zei tegen hen: ‘Ik heb de ​Heer​ gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.

 

zingen

 

overweging

Toen ik in 2000 predikant werd in de Haagse Kloosterkerk zijn we daar begonnen een cursus aan te bieden die we ‘het ABC van het christelijk geloof’ noemden. Op de dinsdagavonden gedurende een heel seizoen kwam er werkelijk van allerlei aan bod. Het ging over de vraag hoe we de bijbel moesten lezen, welke literaire genres we er in tegen komen, we spraken over het christendom door de eeuwen heen, in de politiek, de kunst en in de literatuur. De liturgie en de christelijke ethiek kregen een eigen plaats en zo voort. Het liep storm. Ieder seizoen opnieuw bleek er een enorme belangstelling voor deze toch intensieve cursus te bestaan. We dachten maximaal 30 cursisten per seizoen aan te kunnen en zeker de eerste jaren kwam het geregeld voor dat we mensen moesten teleurstellen omdat we vol zaten.

 

In het voorjaar stond aanvankelijk voor maar liefst drie avonden de Stille Week en Pasen geprogrammeerd. Dat was de tijd die we nodig hadden om op een herkenbare en invoelbare manier inzichtelijk te maken wat de dynamiek is van die periode in het kerkelijk jaar. We liepen aan tegen een palet aan misverstanden die gemeen hadden dat ze allemaal voortkwamen uit een letterlijke, historische manier van lezen. Veel cursisten hadden van huis uit meegekregen dat het verhaal van het lijden en de opstanding van Jezus een verslag was van iets unieks dat 2000 jaar geleden in de tastbare en zichtbare werkelijkheid gebeurd zou zijn. Het was dan iedere keer weer hard werken om duidelijk te maken dat het om een tijdloze, universele beeldtaal gaat. Zoals gezegd: drie hele avonden. Daarna kregen we van de meeste deelnemers ten minste het voordeel van de twijfel.

 

Maar naar ons gevoel van werkelijk het ene op het andere jaar veranderde dat. Tijdens de eerste van de drie avonden werd na al een kwartier duidelijk dat men het min of meer vanzelfsprekend vond dat deze teksten metaforisch moesten worden begrepen. Het nam nog even wat tijd om uit te vinden wát er dan precies verbeeld wordt maar aan het einde van die eerste avond waren we eigenlijk rond en hadden we zomaar twee hele avonden gewonnen om iets anders aan te orde te krijgen.

 

Wij vermoedden dat een volgende generatie was aangetreden. Eentje die niet belast was met verwarrende en vervreemdende interpretaties van de oude verhalen. Met het aantreden van die nieuwe generatie kwam er ruimte voor speelse, creatieve en associatieve manier van omgaan met de verhalen. Het gesprek won aanzienlijk aan diepgang.

 

De ontdekking die we deden was, kort gezegd, dat ‘geloven’, zoiets is als het hebben van een vertrouwensvolle relatie hebben met de parallelle, abstracte wereld waarover uit de aard der zaak alleen in beelden en metaforen gesproken kan worden. We zouden ook kunnen zeggen dat dat geloven het vermogen is om je aan metaforen toe te vertrouwen.

 

Dat kan bijbelse beeldtaal zijn maar er zijn ook andere bronnen, tradities en verhalen die een fascinerende beeldtaal bieden. Een paar weken geleden kwam in een van de groepen die ik leid het sprookje over de kleren van de keizer ter sprake. En al pratend realiseerde ik mij dat het niet alleen een diepzinnig sprookje is maar dat het bovendien een thema aansnijdt dat heel dicht tegen dat van Pasen aanligt.

 

Het is op het eerste gezicht natuurlijk vooral een dwaas en vermakelijk verhaal. Maar daarmee is lang niet alles gezegd. Het is ook diepzinnig. Dat geldt overigens voor veel oude verhalen en sprookjes. Hun diepzinnigheid is de reden dat ze de stormen des tijd overleefden.

 

Maar wat wil het verhaal over de kleren van de keizer ons voorhouden? Mij houdt het verhaal in de eerste plaats een spiegel voor. Het legt bloot hoe gemakkelijk iemand (of: wij mensen), zich kan omhullen met een evidente leugen. Ergens diep van binnen is hij zich daarvan wellicht bewust maar dat besef wordt verdrongen omwille van het overeind houden van de normen en de codes van de groep waartoe hij zich rekent.

 

En daarmee gaat dit verhaal over vervreemding. Door in de leugen te leven vervreemdt iemand van zichzelf en van zijn omgeving. Om de leugen in stand te houden houdt hij zichzelf en zijn omgeving in gijzeling. Er is op een gegeven moment nauwelijks nog een uitweg uit de leugen denkbaar.

 

Nog even kort: die arme keizer heeft zo weinig vertrouwen in wie hij is dat hij geen andere uitweg ziet dan zich te verlaten op zijn omhulling, op de kleren die hij draagt. Al die uiterlijkheden, al die facades dienen ter compensatie van zijn gebrek aan zelfvertrouwen. Hij is op enig moment zelf gaan geloven dat hij door al dat uiterlijk vertoon werkelijk wat voorstelt. En dat hij dus een goede keizer is. Zo raakt hij vervreemd van zichzelf, van wat hij werkelijk denkt en voelt. Daar weten de bedriegers handig gebruik van te maken. Het resultaat is dat de hele stad in de leugen van de keizer verstrikt raakt. Gezamenlijk raken zij verzeild in een spel dat even onwaar als onwaarachtig is. Maar waarheid en waarachtigheid delven nu eenmaal eenvoudig het onderspit zodra mensen zich bedreigd voelen. Dan omarmen ze met evenveel gemak als plezier een leugen temeer als die wel houvast en perspectief biedt.

 

Het gaat in dit verhaal dus om de vervreemding van onszelf. Om het verlies van zicht op wat ons beweegt. En dus ook op de complexiteit en de dubbelhartigheid van onze beweegredenen. Het bestaan is gereduceerd tot het in stand houden van het beeld van de werkelijkheid dat ons blijkbaar zo dierbaar is.

 

Als dat dan zo is, als we vermijden de veelkleurigheid van het bestaan onder ogen te komen, kunnen we ons welgemoed afvragen of en in hoeverre er dan nog sprake is van leven, met een hoofdletter L? Immers, wat het leven tot het leven maakt, wat het werkelijk de moeite waard maakt, en dan denk ik aan de nuance, de onpeilbare verwondering, het nergens echt de vinger op kunnen leggen, het is allemaal naar de achtergrond gedrongen, enkel en alleen omwille van het krampachtig in stand houden van de leugen.

 

Ik kan zonder al te veel moeite allemaal voorbeelden hiervan bedenken uit zowel in mijn eigen, kleine leven als in de grote politiek. Op tal van momenten wordt een schijnwerkelijkheid gecreëerd en in stand gehouden uit angst aan identiteit te zullen moeten inboeten. De leugen krijgt alle ruimte zodat we ons verbonden kunnen blijven voelen met groep waartoe we ons rekenen, of om vooral onze positie, de status quo en onze welvaart in gevaar te hoeven brengen.

 

Ik ben ervan overtuigd dat wij ons veel meer dan we ons bewust zijn ingraven in een web van projecties, beelden, opvattingen en oordelen die gemeen hebben dat ze ons moeten helpen houvast te blijven vinden én te blijven geloven in wie we denken dat we zijn. Het moge duidelijk zijn dat dat met zich meebrengt dat er veel is dat dus níet gezien en gevoeld mag worden. Veel van wat er werkelijk speelt en gebeurt ontgaat ons. Zowel in de wereld om ons heen als in onze eigen binnenwereld. Veel van de eigen intuïties en ambivalenties worden omwille van dat zogenaamde hogere doel ontkend en verdrongen. Zowel in het groot als in het klein blijkt de groepsnorm of de ideologie zwaarder te wegen dan de feiten. En die norm of ideologie wint, net als in het sprookje, aan gewicht door onzekerheid van de betrokkenen.

 

Eén en ander brengt met zich mee dat mensen dikwijls veel te eenvoudige schema’s omarmen. Iets is waar of het is niet waar en het criterium daarvoor hangt vaker dan ons lief is samen met het antwoord op de vraag in hoeverre het ons helpt ons wereldbeeld overeind te houden. Of het nu om de klimaatverandering gaat, over het integratievraagstuk of de vermeende islamisering van ons land, over de herkomst van de kleren die we dragen, de toekomst van de kerk in ons deel van de wereld en noemt u maar op, tien tegen één kiezen wij zó positie dat er zo min mogelijk getornd hoeft te worden aan wat we toch al denken en geloven.

 

Een nogal schokkend voorbeeld van een leven in heel eenvoudige schema’s trof ik aan in de column van Rosanne Herzberger in de NRC van gisteren. Zij schrijft over de The Passion, het grote musical drama waarin de laatste dagen van het leven van Jezus worden verbeeld en bezongen. Dit jaar was Dordrecht als decor gekozen. Wat ik las, was dat alle karakters met zorg worden gecast. En let op want nu komt het: voor de rollen van Judas en Barabas, de schurken in het verhaal, waren in vorige jaren de drank- en drugsovertreders Dave Roelvink en Yuri van Gelder gevraagd. Dit jaar ging de eer naar ‘kind van de duivel’-rapper Jebroer. Marco Kroon, de drager van de Militaire Willemsorde, had bedankt.

 

De conclusie van Herzberger is dat de EO de ‘de publieke schurken van dit land op het podium hijst om ze te omhelzen’. Wel, misschien. Maar wat er naar mijn gevoel veel meer gebeurt, is dat we vrolijk en feestelijk duidelijk maken dat de grens tussen wie goed is en wie slecht kraakhelder is. Het onderscheid tussen de good guys en de bad guys wordt zonder de minste schaamte uitvergroot. U en ik zullen niet voor de rol van Judas worden gevraagd. Wij staan immers comfortabel aan de goede kant!

 

Zo’n simpel schema geeft rust, ik weet het. Het helpt mij het beeld van mezelf als deugzame burgerman in stand houden. Dat is de leugen die de betrokken omroepen graag in stand houden, waarschijnlijk omdat er veel geld mee te verdienen valt. Maar waar het met name, en daar zet ik dikke strepen onder, waar het met name in dit speciale verhaal om gaat, is dat wij allemaal tot ons door laten dringen dat ook ik, net als Judas, de waarheid en de waarachtigheid verraad. En dat ik, net als Petrus, wat waar en waarachtig is verloochen. Die eenvoudige schema’s zijn een regelrechte leugen. Het zijn de nieuwe kleren van de keizer. Ze roepen het beeld op van een eensgezinde samenleving waarin de goeden en de slechten herkenbaar ten tonele worden gevoerd. Het is verleidelijk het zo te doen maar het deugt niet. Niemand van ons is uit één stuk gehouwen. Geen van de rollen in het verhaal is ons vreemd. In de echte werkelijkheid valt de grens tussen de goeden en de slechten helemaal te trekken.

 

De in naam christelijke organisatoren van The Passion zouden trouw zijn gebleven aan hun opdracht en daarmee de samenleving werkelijk een dienst hebben bewezen als zij Dave Roelvink, Youri van Gelder of Marco Kroon voor de rol van Jezus hadden gevraagd.

 

Wat heeft dit allemaal met Pasen te maken? Wel, Pasen is bij uitstek het feest waarop wij dit tot ons door laten dringen. En waarop wij uitgenodigd worden een heel ander, nieuw perspectief te kiezen. Het is het feest van de lach. En van de opluchting die rond gaat als het onwaarachtige toneelstuk eindelijk eindigt.

 

De mens treedt uit het graf waarin hij gevangen zat om een onverwacht lichte werkelijkheid tegemoet te treden. Die nieuwe, bevrijde werkelijkheid wordt vandaag ook letterlijk in het zonnetje gezet.

Amen

 

stilte

 

muziek

 

gebed

Dankbaar willen wij verwijlen

bij het goede dat ons in de schoot geworpen is,

bij het vertrouwen, de bewogenheid en liefde;

aan één kant opgediept uit onze ziel

maar tegelijkertijd aangereikt door talloze anderen:

vaders, moeders, grootouders, partners, minnaars, vrienden, bekenden en wie weet wie nog meer.

 

Wij bidden dat wij aan dat ons geschonken vertrouwen,

aan ons bewogen zijn en

aan de wondere onze liefde voor onszelf,

voor onze naasten en voor deze wereld

de durf ontlenen om alle ballast los te laten

en waarheid en waarachtigheid zullen omarmen.

Zo willen wij gestalte geven

aan de vrije mens die wij in wezen zijn.

 

zingen                         NLB 634

 

zegen

De Heer zegene u en hij behoede u,

de Heer doe zijn aangezicht over u lichten

en zij u genadig.

De Heer verheffe zijn aangezicht over u

en geve u vrede.