De Woudkapel, Bilthoven, zondag 22 november 2020
Voorganger: ds Pieter Lootsma
Organist: Gerard Zwart

Liturgie

  • Welkom
  • Muziek, David and Goliath, Biblical Sonata No 1 van Johann Kuhnau, deel 1 en 2
  • Inleiding op de dienst
  • Orgel- of pianospel
  • Lezing uit de bijbel, het verhaal van David en Goliath (1 Samuel 17)
  • Muziek, Lied 991: 1, 3, 4 en 6
  • Overweging
  • Stilte
  • Orgel- of piano-improvisatie
  • Gebed – stil gebed – Onze Vader
  • Muziek, Lied 362: 1 en 3
  • Zegen

 

Gebed
Wie ben ik en waarin
vind ik in godsnaam nog houvast?
In de ruimte die mij ter beschikking staat
zoek ik tastend mij een weg,
met vallen en met opstaan,
alleen, of in samenspel met anderen.

Ik kan alleen mijzelf als middelpunt
van alles wat gebeurt beleven.
Ik zou wel anders willen.
Hoewel, ik weet niet wat ik zeg.
Ik zou in de verdrukking komen,
verdampen en verdwijnen,
onopgemerkt ten onder gaan.

Dat ik een doel mag hebben,
een richting vinden zal,
en zin ook en vertrouwen,
dat eenmaal nog het tij zich keert
en ik een anker vinden zal en ik
opnieuw geloven mag
dat alles anders worden kan.

David en Goliath, 1 Samuel 17
17: 1De Filistijnen bereidden opnieuw een oorlog voor. 2Saul riep het leger van Israël op en sloeg zijn kamp op in de Terebintenvallei. Daar stelden ze zich op tegenover de Filistijnen: 3op de ene helling stonden de Filistijnen en op de andere de Israëlieten; het dal lag tussen hen in. 4Uit de gelederen van de Filistijnen trad een kampvechter naar voren, een zekere Goliath uit Gat, een man van ruim zes el lang. 5Hij had een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een bronzen schubbenpantser dat wel vijfduizend sjekel woog. 6Ook zijn scheenplaten waren van brons, evenals het kromzwaard dat over zijn schouder hing. 7De schacht van zijn lans was zo dik als de boom van een weefgetouw en de punt was gemaakt van zeshonderd sjekel ijzer. 8In het dal bleef de Filistijn staan en riep de Israëlieten toe: ‘Kies iemand uit jullie midden en laat hem hier beneden komen. 9Als hij me aankan en me verslaat, zullen wij aan jullie onderworpen zijn, maar als ik hem aankan en hem versla, zullen jullie aan ons onderworpen zijn en ons als slaven dienen. 11Bij het horen van deze woorden stonden Saul en het leger van Israël verlamd van schrik.

12David was een zoon van Isaï uit Betlehem. Deze Isaï had acht zonen. 14David was de jongste. Zijn drie oudste broers waren met Saul ten strijde getrokken. 17Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: ‘Hier heb je een zak geroosterd graan en tien broden. Breng die snel naar je broers in het legerkamp. Vraag je broers hoe het met ze gaat en neem een levensteken van hen mee terug.’ Hij kwam juist bij het wagenkamp aan toen het leger onder het aanheffen van strijdkreten de linies betrok. 21De Israëlieten en de Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover elkaar op. 22David gaf zijn spullen af aan de foerier en haastte zich naar de gevechtslinie. Daar vond hij zijn broers en hij vroeg hun hoe het met ze ging. 23Terwijl hij met ze aan het praten was, trad uit de Filistijnse gelederen de kampvechter naar voren, Goliat. 25‘Zien jullie die man daar?’ zeiden ze tegen elkaar. ‘Israël vernederen, daar is het hem om te doen! Wie hem verslaat, zal door de koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van schatting en herendienst.’

31Toen David werd opgemerkt en de soldaten over hem aan Saul berichtten, liet Saul hem bij zich komen. 32David zei tegen Saul: ‘We hoeven om die Filistijn toch niet de moed te verliezen, heer. Ik zal met hem het gevecht aangaan.’ 33‘Maar je kunt hem toch onmogelijk aan,’ wierp Saul tegen. ‘Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan gewend om te vechten.’ 34‘Ik heb altijd de kudde van mijn vader gehoed,’ antwoordde David. ‘Wanneer er een leeuw of een beer kwam om een schaap of een geit uit de kudde te stelen, 35ging ik erachteraan, overmeesterde hem en redde het dier uit zijn muil. En als hij me wou aanvallen greep ik hem bij zijn kaken en sloeg ik hem dood. 36Leeuwen en beren heb ik verslagen en die onbesneden Filistijn zal het net zo vergaan, omdat hij de gelederen van de levende God heeft beschimpt! 37De HEER, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn.’ ‘Ga dan,’ zei Saul tegen David, ‘en moge de HEER je bijstaan.’ 40David pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand.

41Met zware stappen kwam de Filistijn op David af. 42Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar, geringschattend op 43en zei: ‘Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me afkomt?’ … 44‘Kom maar op,’ zei hij, ‘dan maak ik jou tot aas voor de gieren en de hyena’s.’ 48Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, 49stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. 50Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had. 51Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af.

Preek
In de loop van het afgelopen voorjaar heb ik in mijn omgeving een beetje rondgevraagd welke verhalen indertijd op bij voorbeeld de zondagschool het meeste indruk hebben gemaakt. Uit wat er zoal werd aangedragen heb ik een zestal verhalen gekozen die dit jaar centraal staan in de verschillende gesprekgroepen die ik leid. Het verhaal van David en Goliath kwam meermalen langs maar heeft de shortlist uiteindelijk niet gehaald, met name omdat zo lang is. Het is mijn ervaring dat een gesprek beter loopt als het gaat over een overzichtelijk aantal regels. Maar het kriebelde wel want dat het verhaal van de kleine David en de grote Goliath tot de verbeelding spreekt, herken ik natuurlijk. Daarom besloot ik er maar eens een preek over te schrijven.

Toen ik daar de afgelopen week een begin mee maakte, kwam ik dat verhaal tot mijn verrassing tot tweemaal toe ook elders tegen. Ik kom daar verderop in deze preek op terug. Dat droeg ertoe bij dat ik ging begrijpen hoe actueel dit verhaal is. Het rijmt op verschillende thema’s die zich deze maanden met, soms bijna letterlijk, geweld aan ons opdringen. Het verbeeldt een dynamiek waar wij middenin staan.

Om maar iets te noemen, het zal niet alleen mijn particuliere ervaring zijn dat deze tweede coronagolf lastiger te hanteren is dan de eerste. In het voorjaar dachten velen dat het een kwestie was van weken, hooguit maanden. Er werd al wel over een mogelijke ‘tweede golf’ gesproken maar ik hechtte daar toen niet zoveel betekenis aan. Wél signaleerde ik hoe er overal uitdagend nieuwe en spannende initiatieven opdoken: nieuwsbrieven, streamingsdiensten, online chat- en vergaderbijeenkomsten en noem maar op.

Maar intussen lijkt de samenleving, zoals het dagblad Trouw van de week al kopte, coronamoe. We weten het allemaal niet meer zo goed en tot op zekere hoogte lamgeslagen wachten we op wat er komen gaat.

Met andere woorden, het gevoel dat we onderworpen zijn aan invloeden en machten waar we weinig of helemaal geen greep op hebben maakt de samenleving moedeloos. De economische crisis die als een zwaard van Damocles boven onze hoofden hangt, zal daar geen goed aan doen. En de gang van zaken in Amerika vervreemdt ons van een land en volk dat zeker sinds de laatste oorlog als een voorbeeld diende. En dan heb ik het nog niet eens over de opwarming van de aarde en de toenemende invloed van China. Of de om zich heen grijpende botlegers en nepaccounts. Wat kunnen u en ik, met de uiterst beperkte mogelijkheden die ons ter beschikking staan, uitrichten? Blijft deze veranderende wereld ons thuis wel? Is onze wereld te redden? Of moeten we ons overgeven en erkennen dat het een illusie is te denken dat wij, al spartelend, de armada van olietankers die ons omringt van richting zullen kunnen doen veranderen?

Het is een wat sombere veronderstelling maar onze wereld lijkt in toenemende mate ten prooi te vallen aan autonome processen, processen die zich voltrekken buiten ons om. En als ik de peilstok in mijn omgeving steek, krijg ik de indruk dat we het calimero-effect zo langzamerhand voorbij zijn, het zwarte kuikentje dat riep: ‘Zij zijn groot en ik is klein en da’s niet eerlijk, o nee’. Dat had indertijd zondermeer iets geestigs. Het dreef de spot met gevoelens van onmacht. Wij leven in een tijd waarin wij er niet omheen kunnen die gevoelens ernstig te nemen.

Om dan nu terug te komen op ons verhaal van vanmorgen: we zouden een dergelijke onmacht kunnen vergelijken met wat Saul en zijn legerscharen beving toen zij de reus Goliath ten tonele zagen verschijnen. Want wat te doen? Of is het moment waarop die vraag nog aan de orde is al gepasseerd en komt het er vooral op aan het eigen hagje te redden? Moeten ze zich wijselijk terugtrekken en erin berusten dat ze niets kunnen tegen de overmacht van Goliath, die lompe reus die alles wat zij van waarde achten met voeten treedt?

En vervolgens lazen we hoe de kleine David de euvele moed heeft tegenover Goliath positie te kiezen. Hij gelóóft (en dat is precies waar het hier om gaat), hij gelóóft, hij is ervan overtuigd, het gaat er bij hem niet in dat wat hij als onmiskenbaar kostbaar en waarachtig beschouwt, teniet gedaan kan worden door enkel botte kracht.

Dat ik hier zo’n sterk accent zet op dat woordje ‘geloven’ is niet voor niets. Want ik denk dat dit verhaal vertelt wat dat is, ‘geloven’ of ‘gelovig zijn’. En hoe wezenlijk het is, misschien wel met name in tijden als deze.

Laat ik beginnen met te zeggen wat het níet is. Dan kom ik daarna ter zake en zal ik wat uitgebreider ingaan op wat het wél is.

Geloven is, hoe kostbaar dat ook is, niet enkel het gevoel hebben dat er ‘iets’ is, iets van een andere orde boven, buiten of juist in het hart van de tastbare werkelijkheid. En het is ook niet ‘ja’ zeggen op de gedachte dat er ergens hoog boven ons verheven een godheid troont die op een onnaspeurbare manier de regie in handen heeft. En het christendom de hoogte plaats toedichten in een vermeende hiërarchie tussen de verschillende godsdiensten duidt evenmin op een gelovige inslag. Net zomin als het beamen dat er, om maar iets te noemen, leven na de dood zou zijn. Of het denken dat geloven te maken heeft met het je voegen naar de regels van het goede fatsoen. En nog veel minder wil geloven zeggen dat je wekelijks in de kerk te vinden bent.

In een bijbelse context draait het allemaal om iets van een volkomen andere orde. Uiteindelijk gaat het enkel en alleen om het antwoord dat wij geven op de vraag in hoeverre we erop durven vertrouwen dat David het van Goliath zal winnen. Waar het op neerkomt is of wij er, u en ik, in de naam van de god van Israël in slagen ons vertrouwen te stellen op juist wat breekbaar is en broos oogt – en dat dan in weerwil van de vanzelfsprekende overmacht van wat zich zo ongenaakbaar brutaal breed maakt.

Dat we dus, om hetzelfde met andere woorden te zeggen, de hoop niet verliezen als een goede intentie niet op waarde wordt geschat, als we miskend of niet begrepen worden, als we de machtspelletjes in de politiek niet kunnen volgen. Als we de wereld naar de verdoemenis zien gaan omdat er gemorreld wordt aan ons sociale stelsel of als er gerommeld wordt met de klimaatdoelen. Of als een bullebak van een president de fundamenten van de democratie ondergraaft.

Verhalen als dat van David en Goliath worden niet moe ons te vertellen dat juist in wat onooglijk, kwetsbaar en uitzichtloos is, en waaraan wij van nature geneigd zijn voorbij te gaan, dat dáárin een waarheid schuilt die een langere adem heeft dan alles waar wij ons naar richten en voor buigen.

Het bekende beeld van David van Michelangelo dat in Florence vóór het Palazzo Vecchio staat, laat David zien op het moment dat hij zijn tegenstander Goliath inschat. Van de week volgde ik een college waarin aan de orde kwam waarom dit beeld van David het symbool van de stad Florence is geworden. Zoals David Goliath beziet, zo beziet Florence het grote en machtige Rome. Florence is veel kleiner maar het beschikt, althans in eigen ogen, in tegenstelling tot Rome, over beschaving, verfijning en cultuur. Het koestert daarmee waarachtiger want tijdloze waarden in tegenstelling tot Rome dat het moet hebben van het effect op de korte termijn van zijn gulzig stampende laarzen en zijn inhalig taalgebruik.

Zoals al gezegd, kwam David van van de week enkele keren langs. Behalve in Florence was dat in een artikel van de hand van de Britse journalist Nate White dat iemand me toezond. White probeert in dit artikel antwoord te geven op de vraag waarom de Britten over het algemeen niet veel met de Amerikaanse president Donald Trump op hebben. In een uitgesproken geestig betoog (waar ik in de context van deze dienst natuurlijk niet verder op in ga) schrijft hij ergens:
‘In Britain we traditionally side with David, not Goliath. All our heroes are plucky underdogs: Robin Hood, Dick Whittington, Oliver Twist.
Trump is neither plucky, nor an underdog. He is the exact opposite of that.’

Voor mij was het nieuw dat wij Nederlanders die voorliefde voor underdogs met de Britten delen. Ik heb de neiging het een altijd wat wonderlijke eigenschap te vinden. Want het gevoel de mindere te zijn, bergt beslist ook een risico in zich. Het kan mensen passief en afhankelijk maken. Zielig ook. Vandaar dat White het heeft over ‘plucky underdogs’, dappere of moedige underdogs.

Misschien zit daarin wel het geheim van waar we het over hebben. Want wat maakt dat zij ‘plucky’ zijn? En dat zij dus niet berusten in hun slachtofferschap? Het zal een mengeling zijn van levenslust, creativiteit, een goed gevoel voor humor, maar toch ook een diepgeworteld vertrouwen dat hun ellende niet het laatste woord zal hebben.

Waar dat vertrouwen vandaan komt? En waar het zich op richt? Daarover, en dat dan tot slot, een enkel woord. Ook nu begin ik weer met wat het níet is, namelijk het vertrouwen dat je op een later moment alsnog je gelijk zult halen. Zo van: ‘Lekker puh, wie het laatst lacht, lacht het best’. En het is ook niet de overtuiging dat alle eigengereide, al dan niet zelfverklaarde machthebbers op een zekere dag lelijk op hun neus zullen kijken. Nee, David en Goliath geven beiden gestalte aan een manier van in het leven staan. Zij verbeelden vooral een idee, een overtuiging. En die overtuiging is: dat wij mensen de neiging hebben te blijven hangen bij wat in eerste instantie indruk maakt. En dat ons, als het tegenzit, volkomen lamslaat. Dat is dus Goliath. Maar precies dat alles is, zo maakt David ons hier duidelijk, voor wie over een weidser perspectief beschikt een even doorzichtig als onnozel bagatel.

Het criterium voor wat er wel en niet toe doet is waarachtigheid ervan. Wat er werkelijk toe doet, wat ons vrij zicht geeft op de toekomst én ons uiteindelijk met elkaar verbindt, zelfs over de grens van de dood heen, is dat wat David vóórleeft. Hij oogt weliswaar breekbaar maar hij staat voor iets dat letterlijk onsterfelijk is en dat ons uitnodigt het ermee te wagen.
Amen

Gebed – stil gebed – Onze Vader
Psalm 8
2HEER, onze Heer,
hoe machtig is uw naam
op heel de aarde.
U die aan de hemel uw luister toont –
3met de stemmen van kinderen en zuigelingen
bouwt u een macht op tegen uw vijanden
om hun wraak en verzet te breken.
4Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren door u daar bevestigd,
5wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt,
het mensenkind dat u naar hem omziet?
6U hebt hem bijna een god gemaakt,
hem gekroond met glans en glorie,
7hem toevertrouwd het werk van uw handen
en alles aan zijn voeten gelegd:
8schapen, geiten, al het vee,
en ook de dieren van het veld,
9de vogels aan de hemel, de vissen in de zee
en alles wat trekt over de wegen der zeeën.
10HEER, onze Heer,
hoe machtig is uw naam
op heel de aarde.

Onze Vader die in de hemel zijt,
Uw naam worde geheiligd,
Uw koninkrijk kome,
Uw wil geschiede
op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij onze schuldenaars vergeven.
En leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van de boze.
Want van U is het koninkrijk
en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid.
Amen.

Zegen
De Heer zegene u en hij behoede u,
de Heer doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.
De Heer verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.