kerstverhaal

Stille nacht, tovernacht- Een kerstverhaal over ware vriendschap.

 

Het was koud, die nacht. Een ijzige wind joeg de sneeuw op en de mensen die nog buiten waren haastten zich. Thuis brandde het vuur in de haard. De tafel was gedekt, de kaarsen waren aangestoken. Het was kerstnacht.

 

Nog maar één enkele man liep door de verlichte straten. Zijn rug was gebogen en hij liep maar voort door de sneeuw en de kou, zonder zelf te weten waarheen hij ging. Niemand wachtte op hem. Riton had geen familie en geen thuis.

 

De mensen keken naar hem als hij voorbij ging. Hij lette er niet op. Zonder achterom te kijken, vervolgde hij zijn weg. Hij floot zachtjes voor zich heen en de sneeuwvlokken bleven in zijn baard hangen.

Toch was hij niet alleen in die ijzige nacht… Een hondje liep achter hem aan. Waar kwam hij vandaan? Om zijn nek had hij een halsband met een ster.

 

Toen Riton het hondje zag, begonnen zijn ogen te stralen. “Ben je verdwaald? Dan kunnen we beter bij elkaar blijven.” De hond keek hem aan.

 

Beschut onder de takken van een grote spar pakte Riton een stuk brood uit zijn rugzak en sneed het in tweeën. “Hier!” zei hij met een glimlach. “Het is een mager maaltje voor een avond als deze, maar meer heb ik niet.”

 

Omdat het Kerstmis was vertelde hij een verhaal dat hij als kind heel mooi had gevonden. Daarna floot hij nog wat. Ook de wind floot. Steeds luider en luider, steeds kouder en kouder. “Kom,” zei Riton. Hij zette de kraag van zijn oude, versleten winterjas op. “Laten we schuilen in die hut.”

 

Ze zaten daar een hele poos, lekker warm in het stro. Toen klonk er opeens een stem: “Schrik niet en luister. Ik ben geen hond. Ik ben een tovenaar.”

 

“Jij? Een tovenaar?” zei de oude man verbaasd.

“Vanavond heb ik mezelf in een hond veranderd, omdat ik degene die goed voor me zou zijn wilde belonen,” zei de tovenaar. “En jij bent de enige die goed voor me was. Om je te bedanken zal ik je liefste wens vervullen. Vertel me wat die wens is.”

“Ik wil geen grote dingen en ik heb niets nodig,” zei Riton. “Maar ik heb altijd al een hond gewild.”

 

Toen dacht de tovenaar lang na. Was dat Ritons liefste wens? Hij had beloofd die liefste wens te zullen vervullen, dat was waar. En hij wilde ook graag de beste vriend van de oude man zijn. Maar zou hij daarvoor zijn toverkracht op willen geven? Zou hij ermee kunnen leven geen tovernaar meer te zijn maar een doodgewone hond, net als alle andere doodgewone honden? Hij ging er even goed voor zitten.

 

Maar de volgende ochtend, heel vroeg, verliet de oude man de hut om verder te trekken. En zijn vriend, een hond, volgde hem.

 

schriftlezing 1                                    Lucas 2: 1-7

2:1In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.

 

schriftlezing 2                                    Lucas 2: 8 – 14

8Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. 9Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. 10De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: 11vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer. 12Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ 13En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: 14‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’

 

schriftlezing 3                                    Lucas 2: 15 – 20

15Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ 16Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. 17Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. 18Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. 20De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd.

 

preek

Afgelopen najaar volgde ik een cursus waarin, aan de hand van een heel aantal kunstenaars, de ontwikkelingen in de Westerse cultuurgeschiedenis van de afgelopen eeuwen werden belicht. We kregen heel verrassende doorkijkjes in de relatie tussen wat er zich in de wereld van de kunsten afspeelde én de maatschappelijke of politieke ontwikkelingen in een bepaald tijdvak.

 

Wat mij met name heeft getroffen is wat ik nu denk te hebben begrepen van de dynamiek in de 19-de eeuw. Vanavond wil ik daar, natuurlijk heel in het kort, iets over vertellen om daarna een verband te leggen met onze tijd en het geboorteverhaal van Jezus zoals we dat lazen uit het evangelie naar Lucas.

 

De dominante stroming in de kunst in de 19-de eeuw was de Romantiek. De Romantiek doet een beroep op de emotie, het gevoel. En de natuur en de schoonheid daarvan krijgen een centrale plaats toebedeeld. Maar wat nieuw was voor mij, was dat de 19-de-eeuwse Romantiek in twee periodes te verdelen is. Het onderscheid tussen beide periodes zit ‘m in de achterliggende gedachte. Om met de Romantiek uit de laatste decennia van die 19-de eeuw te beginnen: deze kan begrepen worden als een reactie op zakelijke en kille rationalisme zoals dat in de loop van diezelfde eeuw om zich heen greep en gemeen goed werd. De ratio, het verstand werd de maat aller dingen en de laat negentiende-eeuwse romantische beweging verzette zich daartegen.

 

Met de Romantiek in het begin van die eeuw lag dat anders. Dat was niet zozeer een reactie op het om zich heen grijpende rationalisme (daarvan was toen eigenlijk nog nauwelijks sprake) maar veeleer de uitkomst van een zoektocht naar nieuw houvast. Om dit te begrijpen moet ik iets over de context vertellen waarbinnen deze eerste romantische periode ontstond.

 

Het was een tijd die in verschillende opzichten aan de onze doet denken. De wereld veranderde in een onvoorstelbaar hoog tempo. En eeuwenoude zekerheden smolten weg als sneeuw voor de zon. Alle tot dan toe vanzelfsprekende houvast verdampte.

 

Ðe Franse Revolutie aan het einde van de 18-de eeuw had wat dat betreft als een katalysator gewerkt. Maar vooral de opkomst van Napoleon, een onaanzienlijke edelman uit een even onaanzienlijk gewest, leidde ertoe dat de gevestigde orde het nakijken had. Napoleon maakte in grote delen van Europa een einde aan de eeuwenoude vorstenmaatschappij. Daarvoor in de plaats kwam een nieuw type samenleving waarin de burgerij een belangrijke stem had. Ook de kerkelijke hiërarchie verloor zijn macht en invloed. Het breken met de kerk was het verbreken van oude ketenen. Ik las ergens dat de ontkerkelijking in die tijd een stuk radicaler was dan tegenwoordig. De mens werd uitgedaagd zelf te gaan nadenken. Het gevolg was dat alle tot dan toe onaangevochten structuren instortten.

 

Bovendien werden er niet veel later spoorlijnen aangelegd waarop treinen reden die het mogelijk maakten om in luttele uren op plaatsen te verzeilen waar heel andere normen golden. Wat was nog wáár? En wie heeft er nu gelijk? Waaraan kan iemand nog houvast ontlenen?

 

Deze verwarring en zelfs ontreddering werd ook in de kunst een leidend thema: de eenzame mens tegenover de oneindige ruimte waarin zich geen enkele zekerheid meer aandiende. Dat besef van grenzeloze kwetsbaarheid opende de ogen voor niet alleen de schoonheid van de natuur maar vooral voor de vastigheid die de natuur biedt. Want in de natuur heerst orde, regelmaat en een haarscherpe wetmatigheid. Uiteindelijk is alleen de natuur écht betrouwbaar.

 

En dan maken we nu een sprongetje naar de tijd waarin wij ons levens gestalte geven. Ik noemde het al dat onze tijd veel parallellen kent met de decennia die volgden op de Franse Revolutie.

 

We zouden kunnen zeggen dat de 20-ste eeuw de eeuw was van de massa’s was. Politieke partijen beleefden grote bloei, net als de vakbonden. Het was de eeuw van de verhalen en ideologieën die door velen werden omarmd en aangehangen. Maar die 20-ste eeuw werd gevolgd door de 21-ste eeuw waarin het individu alle ruimte krijgt. Wij beleven op vele terreinen de emancipatie van de enkeling. De eenling eist zijn stem op. En dat niet zelden ten koste van de gemeenschappelijke verworvenheden uit de vorige eeuw.

 

De keerzijde van deze wat aan één kant een emancipatiebeweging is, is een besef van verlorenheid. Velen voelen zich niet gehoord en niet gekend. Zij weten zich ongeborgen. Zij vragen zich af waar zij op kunnen rekenen en missen houvast.

 

Het leven is kaal geworden en ontdaan van iedere ideologie. Zelfs schoonheid biedt nauwelijks nog troost. Van de moderne mens wordt gezegd dat hij het gevoel heeft zomaar ergens in de tijd te zijn geworpen. Hij moet zich staande houden terwijl hij is overgeleverd aan oerkrachten als Eros en thanatos. Dan rest hem, om Plato te citeren, alleen nog de Dionisische onderdompeling in het zinnelijke: een snelle behoeftebevrediging en de snelle vervulling van zijn primaire verlangens.

 

Houvast vinden in de leegte is een grote opgave. Het is zoals een klein kind dat moet leren zich veilig te weten in de lange donkere nacht. Het vraagt aan zijn ouders in de loop van de avond nog een zoen te komen brengen of een licht in de gang te laten branden. En verder stelt het zich gerust met het regelmatige slaan van de verre kerkklok, met het snerpen van een langsrijdende tram of de vertrouwde stem van een roepende buurvrouw. Zo bezweert het de angst voor de nacht. Om het in klassieke kerkelijke taal te zeggen: het is naarstig op zoek naar geborgenheid in tijd en eeuwigheid.

 

Net zoals dat in het begin van de 19-de eeuw het geval was, kenmerkt onze tijd zich door een aantal zich razendsnel voltrekkende veranderingen. Veel traditioneel houvast verdwijnt: de gevestigde instituties staan ter discussie, de hegemonie van de westerse wereld lijkt voorbij, onze op christelijke grondslag gebouwde samenleving wankelt en zo voort. Geborgenheid is een kwetsbaar en vluchtig goed gebleken. Wie ben ik nog en waar mag ik op rekenen?

 

Toen ik van de week aan een bevriende musicus vertelde waarover ik het met Kerstmis wil gaan hebben, herkende hij het meteen. Binnen zijn beroepsgroep heeft vrijwel niemand meer een vaste baan. En over zijn pensioen denkt hij maar niet meer na. Omdat hij weigert nostalgisch laat staan reactionair te worden, parkeert hij zijn angst en onvrede.

 

Ook wat ik maar even het ‘kleine houvast’ noem, blijkt veel kwetsbaarder te zijn dan we misschien wel dachten: het hebben van een baan, of een partner, de betekenis die kinderen en kleinkinderen aan jouw leven geven, de vertrouwelijkheid die je had met je buren. Wat stelt het uiteindelijk voor?

 

Existentiële eenzaamheid, het je verloren wanen in de tijd, het leidde tweehonderd jaar geleden tot de nieuwe verhouding tot de natuur. De mensen toen vonden houvast in de schoonheid en de wetmatigheid die er uit sprak. Dat ging hand in hand met de idealisering van het verleden, het romantiseren van het houvast dat in voorbije tijden wél was. Wat betreft het eerste, de verhouding tot de natuur, kunnen wij wel iets van onze voorouders leren. Maar met name dat laatste speelt ook in onze tijd een niet onaanzienlijke rol. Ook nu klinkt in met name het publieke debat een heimwee door naar wat vroeger wél als fundament leek te kunnen dienen.

 

Het verhaal dat wij lazen uit het evangelie naar Lucas heeft hierover beslist het één en ander te zeggen, zowel voor onze zielsverwanten uit het begin van de 19-de eeuw als voor ons, postmoderne wereldburgers. Lucas zal zeker weet hebben gehad van de verlorenheid waarin een mens kan verzeilen. En van het verlangen om opnieuw vaste grond onder zijn voeten te vinden.

 

Wat hij daar in enkele regels vol krachtige beeldtaal tegenover zet, is zowel verontrustend als troostrijk. Het is een even verwarrende en ontregelende als bemoedigende boodschap.

 

Hij zoekt duidelijk te maken dat alles wat in het oog springt en kracht uitstraalt misschien verleidelijk is, maar op enig moment toch ontmaskerd zal worden als hol en bedrieglijk. Wie in zijn of haar verlorenheid op zoek is naar houvast en zekerheid, zal in eerste instantie zijn blik laten vallen op wat hem van huis uit vertrouwd voor komt en wat als krachtig werd ervaren. Natúúrlijk. Ook Lucas zal die valkuil van binnen hebben gekend. Maar op het moment dat hij achter zijn bureau ging zitten om het verhaal te schrijven dat wij vanavond lazen, gaf hij er blijk van een ander perspectief te hebben gekozen.

 

Ik stel me voor dat hij intussen met zowel mededogen als pijn in het hart naar de wereld om hem heen heeft gekeken. Bij hem had de overtuiging postgevat dat werkelijk houvast nu eenmaal per definitie broos is. Zijn verhaal is een verbeelding van het inzicht dat houvast eigenlijk nooit is wat wij zouden willen dat het is. En dat het niet dáár is waar wij het in eerst instantie zoeken. Daarom nodigt hij zijn lezers uit hun blik te verleggen. Wég van het grote, ommuurde Jeruzalem waar de macht zetelt, weg van de veilige geborgenheid van een nachtverblijf of een herberg. In de richting van die schamele stal. We kunnen ons dat wat waarachtig en uiteindelijk is niet breekbaar genoeg voorstellen.

 

Wie zichzelf alleen overeind houdt omdat hij leunt op iets dat er altijd al was of dat in voorbije tijden zoveel bijdroeg aan zijn zelfgevoel, zal bedrogen uit komen. Wat het houdt als al het andere wegvalt, is niet in het oog springend. Om het nog sterker te zeggen: alles wat voor de hand ligt en ons vertrouwd voorkomt legt het uiteindelijk af tegen de breekbare waarheid waarvan Lucas getuigt.

 

De vraag die hij stelt, is of wij niet alleen bereid maar vooral ook in staat zijn af te zien van de greep die wij op onszelf, op elkaar en op de dingen denken te hebben? Om terug te komen op het kerstverhaal dat ik las: willen wij de macht die wij uitoefenen en waarmee wij de wereld naar onze hand denken te zetten opgeven? En dat dan in ruil voor trouw aan onszelf en aan ook het geluk van een ander? Wie is daartoe bereid, maar vooral: wie is daartoe in staat?

 

Het verhaal van Lucas is een verbeelding van de kwetsbaarheid van het uiteindelijke houvast dat wij hebben. En vanavond klinkt de vraag of wij het daarmee aandurven? Het is een uitnodiging om wat minder bang te zijn als wij wat het logische fundament van ons leven was kwijtraken. Om op onze eigen, onzekere benen te durven gaan staan. En om dan elkáár te hervinden in de breekbaarheid van het bestaan. Dat is wat we met Kerstmis vieren, dat dát een mogelijkheid is die ons ter beschikking staat.

Amen