De Woudkapel                                                3 november 2019 (Allerheiligen)

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Organist/pianist: Gerard Zwart

Voordracht: Simon Mulder

 

liturgie

0 welkom etc.

 

0 zingen                                        NLB Lied 213 (Morgenglans): 1, 2 en 5

 

0 inleiding op de dienst

Vanmorgen willen wij uiting geven aan onze dankbaarheid

voor al die grote en kleine mensen die ons zijn voorgegaan,

voor hen die geschiedenis schreven

én voor hen die in de schaduw leefden,

voor wie ons hebben leren zingen,

ons hebben leren kijken naar wat er óók te zien is,

voor wie gebeden hebben in de stilte

en voor wie luidkeels schreeuwden om gerechtigheid,

voor wie met eer zijn gekroond

en voor wie werden afgewezen door waar ze bij hoorden.

 

Wij staan vanmorgen eerbiedig stil

bij onze kinderen, partners, ouders, grootouders

en dierbare vrienden en bekenden,

bij allen die er in onze levens waren

en ons de weg wezen en ons vergezelden

maar zonder wie wij verder trekken

op weg naar wat ons verder nog te wachten staat.

 

Wij hopen het geheimenis deelachtig te worden

waarin onze bestemming besloten ligt,

dat ons het besef aanreikt zal worden

dat wij ondanks onze pijn en ons verdriet

gewild zijn en, letterlijk, bedóeld,

zoals dat ook geldt voor

degenen die wij vandaag gedenken.

 

Dat wij daaruit de troost en het vertrouwen putten

dat onze verbondenheid met hen onopgeefbaar is

omdat zij en wij met elkaar geborgen zijn

in een trouwe liefde die ons denken overstijgt,

vandaag en morgen en alle dagen die nog zullen

Amen

 

0 voordracht                                …

 

0 lezing uit de bijbel                    2 Koningen 2: 1 – 18

2 Koningen 2: 1De tijd was niet ver meer dat de HEER Elia in een stormwind in de hemel zou opnemen. Elia en Elisa stonden op het punt uit Gilgal te vertrekken, 2maar Elia zei tegen Elisa: ‘Blijf jij hier, de HEER wil dat ik naar Betel ga.’ Elisa antwoordde: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.’ Zo gingen ze samen op weg naar Betel. 3De profeten uit Betel kwamen Elisa vanuit de stad tegemoet en zeiden tegen hem: ‘Weet u wel dat de HEER vandaag uw meester van u zal wegnemen?’ ‘Ja, ik weet het,’ antwoordde hij. ‘Zegt u maar niets.’ 4Elia zei tegen Elisa: ‘Blijf jij hier, Elisa, de HEER wil dat ik naar Jericho ga.’ Maar Elisa antwoordde: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.’ Zo gingen ze samen naar Jericho. 5De profeten uit Jericho kwamen naar Elisa toe en zeiden tegen hem: ‘Weet u wel dat de HEER vandaag uw meester van u zal wegnemen?’ ‘Ja, ik weet het,’ antwoordde Elisa. ‘Zegt u maar niets.’ 6Elia zei tegen Elisa: ‘Blijf jij hier, de HEER wil dat ik naar de Jordaan ga.’ Maar Elisa antwoordde: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.’ Zo gingen ze samen verder. 7Bij de oever van de Jordaan hielden ze stil. Vijftig profeten die hen waren gevolgd bleven op een afstand staan kijken. 8Elia deed zijn mantel af en vouwde hem dubbel. Hij sloeg ermee op het water, waarop het naar links en naar rechts wegvloeide en zij tweeën droog konden oversteken. 9Terwijl ze overstaken vroeg Elia aan Elisa: ‘Wat kan ik nog voor je doen voor ik van je word weggenomen? Vraag het maar.’ Elisa antwoordde: ‘Laat mij dubbel in uw geest delen.’ 10‘Je vraagt iets heel moeilijks,’ zei Elia. ‘Als je ziet hoe ik van je word weggenomen, zal je wens vervuld worden, maar als je het niet ziet, gebeurt het niet.’ 11En terwijl ze liepen te praten, werden ze plotseling uit elkaar gedreven door een wagen van vuur, met paarden van vuur ervoor, en Elia werd in een stormwind meegevoerd naar de hemel. 12Elisa zag het gebeuren en riep uit: ‘Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!’ Toen hij Elia niet meer kon zien, scheurde hij zijn kleren. 13Hij raapte Elia’s mantel, die was afgegleden, op, en liep terug. Bij de oever van de rivier hield hij stil. 14Hij sloeg met Elia’s mantel op het water en riep uit: ‘Waar is de HEER, de God van Elia?’ Dus ook hij sloeg op het water en opnieuw vloeide het naar links en naar rechts weg, zodat Elisa kon oversteken. 15De profeten uit Jericho, die Elisa vanaf de overkant in het oog hielden, zeiden tegen elkaar: ‘De geest van Elia is op Elisa neergedaald.’ Ze gingen hem tegemoet, knielden voor hem neer 16en zeiden: ‘We hebben vijftig flinke mannen bij ons. Laat die uw meester gaan zoeken. Misschien heeft een geest van de HEER hem opgetild en ergens op een berg of in een dal neergeworpen.’ ‘Doe dat niet,’ zei Elisa, 17maar ze drongen zo aan dat hij ten slotte hun aanbod aannam. Vijftig mannen werden eropuit gestuurd en zochten drie dagen lang, maar ze vonden Elia niet. 18Toen ze terugkwamen bij Elisa, die in Jericho zijn intrek had genomen, zei hij tegen hen: ‘Ik had u toch gezegd dat u niet moest gaan zoeken?’

 

0 zingen                                        NLB 942 (Ik sta voor u)

 

0 overweging

Wij mensen, wij kunnen niet zonder elkaar maar er komt altijd een moment waarop wij wel zonder elkaar móeten. Omdat, bij voorbeeld, de dood scheiding tussen ons maakt.

 

Het verhaal van vanmorgen schildert hoe de ene mens de andere vergezelt op weg naar die grens waar we elkaar niet langer vast kunnen houden. En elkaar dus los zullen moeten laten.

 

Elia en Elisa, de profeet en zijn toegewijde leerling. Elia’s einde nadert. Allebei weten zij dat. Maar ze zijn nog niet zo ver. Ze kunnen er niet toe komen elkaar los te laten. Samen trekken zij verder. Naar Bethel. Naar Jericho. In de richting van de rivier de Jordaan. There is one last river to cross.

 

Zo’n verhaal van maar geen afscheid kunnen nemen, en telkens opnieuw tekenen voor nóg een eindje verder met elkaar optrekken, doet mij altijd denken aan de jongen in het verpleeghuis waar ik ooit werkte. Hij en ik, wij waren ongeveer even oud. Om een aantal redenen ontstond er een zekere zielsverwantschap tussen hem en mij.

Hij was ernstig ziek en er was geen enkel zicht op verbetering. Integendeel, hij ging zienderogen achteruit. Met veel kunst- en vliegwerk werd hij in leven gehouden.

 

‘Hoe lang moet je daar nou mee doorgaan?’, vroeg iedereen zich af, hijzelf niet in de laatste plaats.

‘Als ik niet meer zelfstandig kan lopen, is het genoeg geweest’, zei hij toen ik hem leerde kennen. Maar toen hij niet meer kon lopen zei hij: ‘Als ik niet meer kan zíen, wil ik dat het stopt’. Maar toen hij niet meer kon zien zei hij het vol te willen houden zolang hij nog zelfstandig kon slikken. En zelfs toen dat niet meer ging, hebben wij nog geruime tijd met hem meegeleefd in de richting van de laatste grens. Die dus almaar verlegd werd.

 

En net als in het verhaal dat wij lazen waren er in dat verpleeghuis talloze omstanders die zich ermee bemoeiden: ‘Je weet toch dat het niet lang meer zal duren?’. Ik wist dat en hijzelf wist dat natuurlijk ook. Maar hij koos ervoor om per dag te leven. En zich dus niet te laten opjagen. Want iedere afzonderlijke dag bleek tot zijn niet geringe verbazing ondanks alles de moeite waard te zijn. Dag voor dag, stap voor stap, van Bethel naar Jericho in de richting van de rivier de Jordaan.

 

Zo gaan die beiden tezamen, elk met zijn eigen gedachten. Voor het laatste genietend van elkaars nabijheid en tegelijkertíjd druk in de weer zich te onthechten. Dat is altijd ingewikkeld, wanneer je je beweegt tussen aan één kant de angst voor het moment van het definitieve afscheid, en aan de ándere kant het verlangen naar de rust die de dood zal brengen. Niet zelden wordt dat verlangen als ontrouw ervaren. Want in je gedachten neem je immers al een voorschot op wat komen gaat? Zo gaan die beiden tezamen, elk met zijn eigen gedachten. Onherroepelijk komt de dag dichterbij waarop je elkaar voor het laatst vasthoudt en in de ogen kijkt.

 

Maar ik zal bij je blijven, want jij bent de adem in mijn leven.

Jouw liefde schenkt mij vleugels.

 

Maar intussen is de argeloosheid in hun met elkaar omgaan verdampt. Zij zijn zich beiden bewust van wat er te gebeuren staat. Dat kán een relatie verinnigen. En godzijdank is dat ook dikwijls het geval. Maar het kan ook zijn dat er verwijdering optreedt. En dat er over en weer ergernis ontstaat. Want hoe je het ook wendt of keert, de één trekt de ander mee in zijn neergang. En dat moet die ander maar net aankunnen. Zoiets kan immers angst opwekken en dus verzet oproepen. Omdat dat te confronterend is en te veel pijn doet.

 

In de praktijk speelt het over het algemeen door elkaar, het één en het ander. het is er allebei en vaak allebei tegelijkertijd.

 

Zo gaan die beiden tezamen, elk met zijn eigen gedachten. Van Gilgal naar Bethel, van Bethel naar Jericho en van Jericho tot aan de oever van de rivier. Steeds verder dalen zij af.

 

De route die de verteller het tweetal laat lopen is niet willekeurig gekozen. Het is dezelfde weg die Jozua indertijd ging, alleen in omgekeerde richting. Jozua trok vanuit de woestijn over de Jordaan óp naar Jericho, van Jericho óp Bethel en van Bethel óp Gilgal.

 

Elia gaat terug naar de ruimte van de woestijn, naar daar waar ook Mozes stierf en waar Jozua begon. Terug naar waar het grote geheimenis van waaruit hij leefde was geboren. Het is een wonderlijk verhaal en het is niet eenvoudig na te voelen wat de vertellers of schrijvers er precies mee hebben willen zeggen. Maar laten we in elk geval een poging wagen ons door hun poëtische fantasie te laten verleiden en ons mee te laten voeren in hun geheimzinnige wereld.

 

Aangekomen bij de laatste grens blijft iedereen die hen gevolgd is staan. Vanuit de verte kijken zij toe hoe Elia zijn profetenmantel opneemt en ermee op het water slaat. Het water wijkt en door de droge bedding lopen Elia en Elisa naar de overkant. Dat is dus ook weer de gang die Jozua maakte maar dan in omgekeerde richting. Elia steekt de rivier over. En Elisa gaat met hem mee. Samen vertoeven zij in de bedding van de doodsrivier. Elia sterft, en Elisa is hem tot in de dood getrouw.

 

Gezamenlijk ervaren zij wat het wil zeggen te sterven. Daar is liefde voor nodig, moed misschien, maar vooral vertrouwen, vertrouwen dat de dood niet ook jou verzwelgen zal.

 

En terwijl zij dóór de rivier lopen vraagt Elia aan zijn leerling of er nog iets is dat hij voor hem zou kunnen doen. Elisa wenst zich dan ‘het dubbele van de geest van Elia’. In de bijbelse traditie is dat het deel dat de eerstgeborene erft. De eerstgeborene krijgt een dubbel deel terwijl de andere kinderen een enkel deel krijgen. Het is alsof hij zegt: ‘Ik heb mijn vader en moeder vaarwel gekust om jou te volgen; ik wil jóu blijven eren en gedenken als mijn vader. Laat mij jouw eerstgeboren zoon zijn?’

 

‘Geef mij het dubbele van jouw kracht.’

‘Het is niet eenvoudig wat je vraagt. Of ik mijn geestesgaven daadwerkelijk aan jou zal kunnen overdragen? Want het zijn inderdaad ‘gáven’. Of het jou gegeven zal worden de werkelijkheid zó te zien als ik haar heb leren zien? Of het jou gegeven zal zijn te leven vanuit het vertrouwen dat mij is aangereikt? Ik help het je hopen.’

 

Maar dan wordt ons in geuren en kleuren verteld wát het is dat Elisa ziet. Het zijn beelden die kunstenaars de eeuwen door tot de meest uitbundige uitingen hebben geïnspireerd. Het geschiedde dat hij een sprookjesachtige wagen ziet, een wagen van vuur die komt aangevlogen, met ervóór een span vurige paarden. En het volgende ogenblik stijgt Elia in een stormwind ten hemel op. Alsof de koning een vierspan schimmels stuurt om zijn gast op te halen.

 

‘Vader, vader’, roept hij nog, maar dan is het voorbij. Elia is ten hemel gevaren. Elisa weent. En als teken van rouw verscheurt hij de jas die hij draagt. Dan heft hij met trillende handen de profetenmantel van Elia op die in de stormwind van de hemelwagen naar beneden gefladderd was. Die mantel is nu de zijne. En hij keert om. Hij weet waar hij naar toe moest. Terug. Nu zal hij de weg gaan die ook Jozua is gegaan. Dóór de rivier, óp naar Jericho, óp naar Bethel, en van daar óp naar Gilgal.

 

Het kan niet vaak genoeg worden gezegd: de verhalen die wij in de bijbel aangereikt hebben gekregen beschrijven niet de zichtbare werkelijkheid, het zijn geen, om het wat flauw te zeggen, berichtjes uit een oude editie van de Jeruzalem Post, maar het zijn poëtische uitdrukking van een ervaringswerkelijkheid. Het zou mooi zijn als het ons lukt een beetje voeling te krijgen met wat hier wordt verbeeld, namelijk dat het mogelijk is het sterven en de dood van onze dierbaren inderdaad ánders te zien dan onze zintuigen waarnemen.

 

Misschien gebeurde het pas na verloop van tijd, dat zou heel goed kunnen, maar op een letterlijk ‘gegéven’ moment ervoer Elisa de dood van zijn vriend niet langer als een pijnlijk afscheid, als brute roof, of als geen wrede amputatie, het was geen misselijk in de steek gelaten worden, nee, zijn dood was een hémelvaart. Hij kon de dood van Elia zien als een hemelvaart, als een ten hemel opneming, als een gedragen worden door de adem van de Eeuwige, als een thuiskomen in de geborgenheid en de liefde van het grote geheimenis áchter de zichtbare werkelijkheid.

 

En dan tot slot nog even iets over Elisa. Elisa keert om. En dat is werkelijk een groot kunststuk. Voor wie vertoefd heeft in het tussengebied tussen leven en dood, is de weg terug, de weg naar het gewone leven, niet eenvoudig te vinden. Maar Elisa keert om. En hij komt meteen al van de koude kermis thuis. De toeschouwers overvallen hem met allerhande platvloerse vragen: ‘Vertel, wat is daar voorgevallen? Wat is er gebeurd? Waar is Elia nu?’ Het ontbreekt er nog maar aan dat ze hem vragen hoe hij zich voelt. En of het al weer een beetje gaat.

 

Maar Elisa houdt zich staande. Hij zegt verder te willen trekken en zijn dode achter zich te zullen laten. Elia is er domweg niet meer. Wat er rest aan dankbaarheid, aan verwijt, aan boosheid, schaamte en schuld wellicht, het is in een tedere aanraking verdampt. Hij is alleen. Daar moet hij het mee doen.

 

Maar degenen die van een afstand toekeken nemen daar geen genoegen mee. Zij hebben er behoefte aan Elia te gaan zoeken. Zij hopen hem terug te vinden, death or alive. Maar na drie dagen keren zij onverrichterzake terug. Elia heeft geen graf, net zo min als Mozes, zijn grote voorganger een graf heeft. Om het meer dichterlijk te zeggen: zij beiden rusten bij God.

 

En zo geeft dit verhaal de dood betekenis. Anders dan in de gangbare Westerse theologie het geval is. In de bijbel bestaat geen onsterfelijke ziel of een leven na de dood. Aan dergelijke speculaties wagen de bijbelschrijvers zich niet. Zij leven en sterven met de hoop dat zij zichzelf en hun doden met een gerust hart aan de God de Heer mogen toevertrouwen.

 

En heel veel later zijn ze gaan geloven dat Elia eens terug op aarde zal komen, even geheimzinnig als hij ten hemel is opgevaren. Daarom zetten Joodse mensen op Pesach de voordeur open en laten zij aan tafel een stoel vrij. Voor áls Elia komt. Want als dat moment aanbreekt, zal hij alle tranen van onze ogen wissen, en er zal geen dood meer zijn en geen verdriet.

Amen

 

0 stilte

 

0 voordracht                                …

 

0 wij noemen de namen van hen die gestorven zijn (staan)

 

0 meteen hierna krijgt een ieder de gelegenheid een kaarsje aan te steken ter nagedachtenis aan een dierbare die hij (of zij) heeft moeten afstaan aan de dood. (links er rechts van de preekstoel staat een hoge tafel met daarop een mandje met waxinekaarsen. u bent uitgenodigd om rij voor rij (te beginnen bij de voorste rijen) naar voren te komen en een kaarsje aan te steken en op de tafel te plaatsen.)

 

0 Onze Vader

 

0 voordracht                                …

 

0 zingen                                        NLB Lied 90A: 1, 3, 5 en 6 (staan)

 

0 zegen