Zondag 5 mei 2019                                                                            De Woudkapel, Bilthoven

 

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Organist: Jan Siemons

 

Liturgie

Welkom, mededelingen, kaars, stilte etc.

 

Zingen                                                             LvdK 415: 1 en 3

 

Inleiding op de dienst

Een volk dat voor tirannen zwicht

Allen, die hier tezamen zijn,

de levenden, de doden,

de handbreed, die ons scheidt, is klein,

wij zijn tesamen ontboden voor het gericht.

 

Gedenk de liefste, die hier ligt,

de broeder, vrind of vader,

maar gun Uw ogen wijder zicht,

aanzie het land en alle mens tegader,

hoor dit bericht:

 

Wij staan tesaam voor het gericht

voor goed of kwaad te kiezen,

een volk dat voor tirannen zwicht,

zal meer dan lijf en goed verliezen,

dan dooft het licht.

 

(Hendrik Mattheus van Randwijk, 1906-1966,

dichter, prozaschrijver, verzetsheld, journalist)

 

Zingen                                                             BB 33: 1, 2, 3 en 5

Lezing uit de bijbel

Jozua 3: 1De volgende ochtend vroeg trok ​Jozua​ met het hele volk weg uit Sittim. … 6De volgende dag gaf hij de ​priesters​ de opdracht: ‘Ga met de ​ark​ van het ​verbond​ voor het volk uit.’ De ​priesters​ namen toen de ​ark​ van het ​verbond​ op en gingen voor het volk uit, 7en de HEER zei tegen ​Jozua: ‘Zeg tegen het volk: ‘Luister naar de woorden van de HEER, uw God.’ En hij vervolgde: 10‘U zult merken dat de levende God in uw midden is.  … 11De ​ark​ van het ​verbond​ met de Heer van de hele aarde gaat immers voor u uit de ​Jordaan​ in. … 13Op het moment dat de ​priesters​ die de ​ark​ van de HEER​ dragen, de Heer van de hele aarde, de ​Jordaan​ in gaan, zal de stroom tot stilstand komen en zal het water oprijzen als een dam.’

14Toen het volk het kamp had opgebroken om de ​Jordaan​ over te trekken, gingen de ​priesters​ die de ​ark​ van het ​verbond​ droegen voor het volk uit. 15Zodra de ​priesters​ bij de ​Jordaan​ waren gekomen en hun voeten door het water werden omspoeld – de ​Jordaan​ stond de hele oogsttijd buiten zijn oevers –, 16kwam het water tot stilstand en vormde het een dam … Het volk trok over ter hoogte van ​Jericho. … Het volk trok zo snel mogelijk over, 11en toen het volledig aan de overkant was gingen ook de ​priesters​ met de ​ark​ van de HEER​ naar de overkant en trokken ze verder voor het volk uit. 15De HEER zei tegen ​Jozua: 16‘Zeg tegen de ​priesters​ die de ​ark​ met de tekst van het ​verbond​ dragen dat ze uit de ​Jordaan​ komen.’ 17Jozua​ gaf hun die opdracht, 18en toen de ​priesters​ die de ​ark​ van het ​verbond​ met de HEER droegen uit de ​Jordaan​ kwamen en de oever betraden, hernam het water zijn loop en trad het weer buiten zijn oevers, zoals het eerder had gedaan. 19Zo bereikte het volk de overkant van de ​Jordaan​.

 

Zingen                                                             LvdK 416

 

Overweging

Het zal u wellicht bekend zijn dat mijn beide ouders geboren en getogen zijn in wat genoemd werd ‘Nederlands Indië’. Naarmate ik ouder word, ga ik mij meer en meer realiseren wat dat voor een invloed heeft gehad op uiteenlopende aspecten van mijn leven. Ik wil het vanmorgen in dat verband niet hebben over de verwoestende invloed van de verschrikkingen van de Japanse kampen. Net als vele anderen zijn mijn ouders die verschrikkingen niet te boven gekomen wat onmiskenbaar ook op het leven van hun kinderen een stempel heeft gedrukt. Nee, vanmorgen wil ik u een wat poëtischer verhaal vertellen over iets dat eigenlijk pas kostgeleden tot mij doordrong.

 

Mensen als mijn ouders kwamen in de loop van de jaren na de bevrijding naar Nederland. Dat heette ‘repatriëring’ maar die term was tamelijk cynisch omdat de meesten van hen nooit eerder in Nederland waren geweest. Voor hen was Nederland een ver en onbekend land dat zij kenden uit verhalen of van de lessen op school. In dat vreemde land werden zij verondersteld zich thuis te voelen en een toekomst op te gaan bouwen. De meesten zijn daar, zoals ook mijn ouders, in elk geval ten dele in zijn geslaagd. Maar dat wil niet zeggen dat zij zich hier ook werkelijk thuis zijn gaan voelen. Die zogenaamde repatriëring was tegen wil en dank en erg gastvrij werden de Indiëgangers over het algemeen niet ontvangen. Met name mijn moeder heeft tot haar dood argwanend ten opzichte van wat zij ‘de Hollanders’ noemde gestaan.

 

Mijn vader was op Ambon geboren. Vanaf mijn negende woonden wij in Assen waar hij directeur was van een conservenfabriek. Op die fabriek werkten talloze Ambonezen die toen nog woonden in het voormalige concentratiekamp Westerbork. Vanwege de achtergrond van mijn ouders en omdat zij beiden Maleis (wat later Bahasa Indonesia genoemd werd, de taal die in tegenwoordige Indonesië gesproken wordt) spraken, was ons gezin erg betrokken bij het wel en wee van de Ambonese gemeenschap in Westerbork. Tal van jubilea, huwelijken en begrafenissen heb ik daar als kind meegemaakt.

 

Mijn ouders en die Ambonese gemeenschap deelden een heimwee naar een land en een tijd die achter hen lag. Wij waren thuis lid van de Stichting ‘Door de eeuwen trouw’, een stichting die zich inzette voor de totstandkoming van een vrije, onafhankelijke Molukse republiek. Na de treinkapingen in de jaren zeventig is dat streven in een ander licht komen staan maar zover was het toen nog niet. Als kind was ik altijd erg ontroerd door een grammofoonplaatje dat wij hadden liggen waarop een gedicht werd voorgedragen over het verlangen naar de bevrijding van de Molukken. Toen ik het mij, bij de voorbereiding van deze dienst probeerde te herinneren, bleek ik het nog helemaal uit mijn hoofd te kennen. Ik heb het opgeschreven en ga het u voorlezen:

 

Ver over zee en oceanen,

ver van het gastvrij Nederland,

ligt tussen riffen en vulkanen

een kostbaar goed, mijn vaderland.

 

De uitgestrekte nageltuinen,

de foelie en haar nootmuskaat,

de trotse sagopalmenkruinen,

zij prijken in hun groen gewaad.

 

Het eeuwig ruisend loof der psalmen,

het wonderschone witte strand,

melancholieke tifagalmen,

wanneer zie ik je weer, mijn land?

 

Geprezen zijn je dapp’re vrouwen

die met hun mannen zij aan zij

ten strijde trekken, vol vertrouwen,

zij buigen niet voor dwinglandij.

 

Wij wachten in gelaten spanning

de glorie van de grote dag

waarop na jaren van verbanning

jouw grond zijn vlag weer dragen mag.

 

Dan zal ons hart te vrijheid drinken,

als zwaar bevochten ideaal.

En dan zal naast ons volkslied klinken

het Wilhelmus maar in onze taal.

 

Het ontroert me nog altijd en wat ik me pas kortgeleden realiseerde, is dat dit gedicht voor mij een uitgesproken religieuze lading heeft gehad. Ik zal u dat proberen uit te uitleggen.

 

Door mijn familiegeschiedenis heb ik als kind het gevoel aangereikt gekregen dat wij, als het er op aankomt, niet thuis zijn in de werkelijkheid waarin wij leven. Wij waren hier vreemden, passanten, ballingen misschien zelfs. Ons verblijf hier heeft iets voorlopigs, iets tijdelijks. Want de wereld waarin iedereen werkelijk tot zijn recht komt, waarin de mensen hun onbevangenheid weer zullen hervinden en eindelijk vrij zullen zijn ligt elders. Ergens ver weg is een andere, betere en meer uiteindelijke werkelijkheid. Daar wordt wantrouwen en cynisme overwonnen. Daar ligt geluk voor het oprapen. Wij dromen over dat land. Wij verlangen ernaar en wij hopen er op.

 

Ik ben gaan vermoeden dat het gedicht dat ik u voorlas een dergelijk verlangen in mij heeft wakker geroepen. Die andere werkelijkheid is bezet, nu nog wel. Maar er komt een tijd waarin die bezetting teniet wordt gedaan en wij blij zingend dat land kunnen binnentrekken.

 

U voelt het wellicht al aan: een dergelijk spanningsveld tussen aan de ene kant de werkelijkheid waar we het mee moeten doen en aan de andere kant een werkelijkheid zoals we die dromen en waar alles en iedereen tot zijn recht zal komen is een uitgesproken religieus motief. Wij leven tegelijkertijd in twee werelden: wij zijn burgers in zowel het hier en nu als in het eens en dan.

 

Voor mij had dat gedroomde vaderland min of meer toevallig tropische, met palmen gezoomde stranden. Voor een ander is het ingekleurd met bijbelse beelden. Dan gaat het over een land aan de overkant van de woestijn, een land van melk en honing. Of er wordt gedroomd over Jeruzalem, de stad van vrede, waar wij eens thuis zullen komen. Maar het kunnen ook weer andere beelden of fantasieën zijn. Waar het om gaat is die spanning tussen het een en het ander, tussen waar we zijn en waar we van dromen.

 

De bijbel beschouwt die spanning niet alleen als vruchtbaar maar zelfs als een voorwaarde voor een betekenisvol bestaan. Nestelen wij ons te zeer in het leven hier, dan valt alles dood. Dan ligt zelfgenoegzaamheid op de loer. Dan zal er berust gaan worden in misstanden. Dan is er geen sprake meer van hoop of verwachting. De bijbel laat verhaal op verhaal zien dat het noodzakelijk is om het leven dat wij leiden onder voortdurende kritiek zal moeten staan van onze dromen over hoe het óók zou kunnen zijn. Met andere woorden: die dromen zetten ons in beweging, bieden perspectief en bevruchten ons doen en laten, dag in, dag uit. Die dynamiek wordt treffend verwoord in de titel van een boek van de in het laatste kwart van de vorige eeuw veel gelezen Duitse theologe Dorothée Sölle: Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk. Immers, zonder visioen is er niets anders dan het pragmatische recht van de sterkste. Van het belang op de korte termijn. En de zorg om de eigen schapen zo snel als mogelijk op het droge te krijgen.

 

De keerzijde van dit verhaal is dat het accent te nadrukkelijk op het visioen ligt. Dat kan ook. Wie het visioen tot de maat der dingen verheft, zal in de dagelijkse werkelijkheid worden teleurgesteld. Dan stelt die dagelijkse werkelijkheid niets voor. Zij valt immers in het niet valt bij waar op wordt gehoopt. Wanneer we het over de Molukse gemeenschap hebben, weten wij allemaal hoe welke vorm een dergelijke frustratie kan aannemen. Maar ook voor andere ballingen kan het verlangen zo groot worden dat de werkelijkheid van vandaag zodanig wordt gerelativeerd dat zij als ondraaglijk bitter wordt gezien en ervaren.

 

Waar het dus op aankomt, is dat beide werelden, die van alledag en die waarop wij hopen, op elkaar betrokken zijn, zó dat zij elkaar inspireren en ons het vertrouwen bieden dat ‘the best has yet to come’.

 

Wanneer wij, zoals we dat vandaag doen, de bevrijding vieren, komt een dergelijk thema wat mij betreft volop in beeld. Want waarvan zijn wij bevrijd? Natuurlijk, op de vijfde mei staan we erbij stil dat er voor het Europese deel van ons koninkrijk een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Dat geeft alle reden tot uitbundigheid. Daar wil ik ga ik niets aan afdoen. Maar op dit kleine moment van bezinning wil ik in alle bescheidenheid een kleine relativering aanbrengen. Want in religieuze, in bijbelse zin vindt werkelijke bevrijding plaats op het moment (misschien moet ik zeggen: op die momenten) waarop de twee werelden waarover we spraken, die van het in alle opzichten tekort schietende heden én die waarin iedereen eindelijk volledig tot zijn recht zal komen, elkaar ontmoeten en met elkaar zullen samenvallen.

 

Wij leven in ballingschap. Wij vinden geen uiteindelijk thuis in onze dagelijkse werkelijkheid. Daar zijn en blijven wij vreemdeling. Uiteindelijk thuis zijn wij in een andere, verre werkelijkheid waar we naar verlangen en steeds opnieuw weer over dromen. Dáár zal ons hart de vrijheid drinken.

 

Onderweg zullen er zeker momenten zijn dat het ons bang te moede wordt. Dat het geloof de kop op steekt dat wij er in zullen moeten berusten dat dit het is. Dat iedere hoop of verwachting ijdel is en dat ons niets rest dan te capituleren voor het fnuikende cynisme dat onvermoeibaar op de loer ligt. Dat zijn de momenten waarop het visioen verdampt en het licht dooft.

 

Dat is het moment waarop er in ons midden een priester opstaat om ons een oud, van eeuwen her overgeleverd verhaal te vertellen. Hij gaat staan in dat spanningsveld tussen aan de ene kant de nood van de mensen en aan de andere kant de beloftevolle dromen die zij koesteren. En dan vertelt hij hoe zij, komend uit de ellende, dat land aan de overkant ééns daadwerkelijk zijn binnengetrokken. Met de ark op hun schouders, het teken van de beloftevolle aanwezigheid die hen vergezelde op hun tocht door de tijd en door de landen. Zo krijgen zoekende dolende mensen die zonder vaste woon- of verblijfplaats door de woestijn trekken op weg naar een plek waarvan ze soms vrezen dat hij slechts bestaat in hun fantasie een hart onder de riem gestoken. In het verhaal van de priester wordt hun geploeter en gesjouw omgevormd tot een pelgrimage, een heilige processie, een bedevaart, een tocht die hen naar huis zal voeren.

 

Hij is geen oorlogscorrespondent maar priester. En we hebben het niet over ‘bijbelse geschiedenis’ maar over de poëzie van het mensenhart. Het verhaal vertelt niet van een wonder maar van geloof en van vertrouwen. De Jordaan (wie hem gezien heeft zal het weten) is een rivier van niks en er zijn vele gemakkelijk doorwaadbare plaatsen. Maar hier, in het verhaal dat wij lazen, is diezelfde Jordaan een beeld van de doodsheid waarin een mens kan dreigen te verdrinken als hij zich gaat afvragen of zijn geploeter wel ergens toe leidt. Of er wel zoiets als geschiedenis bestaat of dat alles slechts vruchteloos en eindeloos ronddraaien is, zoals de zee, de zee voortklotst in een eindeloze deining, en de rivier maar stroomt en stroomt en nooit ophoudt te stromen?

 

De rivier houdt dus wel op met stromen. Hij wijkt. De priester vertelt dit verhaal tot troost aan de verloren bannelingen die dreigen te vergeten dat mensen al zolang als de wereld bestaat hun dromen over de toekomst met de werkelijkheid van het nu hebben weten te verbinden. Met andere woorden: hij vertelt een paasverhaal. Hij ontsluit de toekomst om ons los te weken uit, ja om ons te bevrijden van het cynische heden.

 

Pasen. Bevrijdingsdag. Een begaanbare weg naar het gedroomde land aan de overkant. Soms. Even. Tot heil van de mensen en van deze hele wereld.

Amen

 

Stilte

 

Improvisatie op het orgel (O Heer die daar des hemels tente spreidt?)

 

Gebed, stil gebed, Onze Vader

 

Zingen                                                             NLB 708: 6

 

Zegen

De Heer zegene u en hij behoede u,

de Heer doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.

De Heer verheffe zijn aangezicht over u

en geve u vrede.