De Woudkapel, Bilthoven                                                       zondag 7 oktober 2018

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Jan Siemons

 

liturgie

welkom, kaars, stilte etc.

zingen                                     NLB 214: 1, 4, 5 en 8

inleiding op de dienst

In de loop van dit seizoen start er een gespreksgroep waarin we met elkaar een aantal verhalen over de profeet Elia zullen gaan lezen. Vanmorgen krijgt u alvast een voorproefje. Ik licht vanmorgen één enkel aspect uit de regels waarin Elia als profeet wordt geïntroduceerd. Aan de hand van dit fragment wil ik met u nadenken over de zo dikwijls opkomende vraag wie of wat god nu eigenlijk is. Wat moeten wij ons bij dat woordje voorstellen? En in hoeverre dat strookt die voorstelling van ons met de manier waarop hij ons in bij voorbeeld dit bijbelverhaal wordt gepresenteerd. Ik zal ook iets zeggen over de vraag in hoeverre wij kunnen dat god wel of niet bestaat. Ik begin zo meteen met een misschien wat theoretisch verhaal en zal daarna eindigen met een paar recente voorbeelden.

orgel                                                    …

 

lezing uit de bijbel                              uit 1 Koningen 16 en 17

1 Koningen 16: 29 Achab, de zoon van Omri, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. … 30Achab deed wat slecht is in de ogen van de HEER; zijn gedrag was nog erger dan dat van zijn voorgangers. 31Alsof het nog niet erg genoeg was … nam hij Izebel tot vrouw, de dochter van koning Etbaäl van Sidon, en begon hij Baäl te vereren. 32Hij liet in Samaria een tempel voor Baäl bouwen en richtte er een altaar voor hem op. 33Ook maakte hij een Asjerapaal. Zo deed hij allerlei dingen waarmee hij de HEER, de God van Israël, tergde, meer nog dan de vorige koningen van Israël gedaan hadden. …

171De Tisbiet Elia uit Gilead zei tegen Achab: ‘Zo waar de HEER leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta, de eerstkomende jaren zal er geen dauw of regen komen tenzij ik het zeg.’ 2De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: 3‘Ga weg van hier. Ga naar het oosten en zoek een schuilplaats in de wadi Kerit, aan de overkant van de Jordaan. 4Drinken kun je uit de rivier, en ik heb de raven opgedragen je daar van voedsel te voorzien.’ 5Elia deed wat de HEER hem had gezegd, hij ging weg en trok zich terug in de wadi Kerit, ten oosten van de Jordaan. 6De raven brachten hem daar ’s ochtends en ’s avonds brood en vlees, en water dronk hij uit de rivier.

zingen                                     NLB 942: 2 en 3

overweging

Het zou kunnen zijn dat de regels uit het boek 1 Koningen niet meteen toegankelijk zijn. Daarom reik ik u een aantal sleutels aan in de hoop dat u wat meer gevoel krijgt voor de krachtige beeldtaal waarin de schrijvers van deze regels hun punt maken.

Om te beginnnen moeten wij ons realiseren dat zij gebruik maken van de in de bijbel veel voorkomende stijlfiguur waarin twee gestalten tegenover elkaar worden gezet. Ieder van hen verbeeldt een eigen manier van in het leven staan. Niet zelden worden de eigenschappen van die figuren dan sterk aangezet zodat de lezer meteen begrijpt aan welk type mens hij moet denken. Zo hoopt de schrijver te bereiken dat de toehoorder vooral met zichzelf in gesprek raakt: op welke van de twee lijk ik met name? Of herken ik iets van beide gestalten in mijzelf? Hoe verhoud ik me tot beiden? Hoe gespannen of hoe hartelijk is de relatie met die twee elkaar tegensprekende aspecten van mijn persoonlijkheid?

Want dat doen ze, elkaar tegenspreken. Voortdurend. De ene figurant verbeeldt een manier van leven die in bijbelse zin toekomst heeft: hij leeft vanuit een vrijmoedige ontvankelijkheid en een argeloze verwondering. Verwachting en hoop toonzetten zijn leven. De andere figurant is met zijn leven een in de ogen van de bijbelschrijvers doodlopende weg ingeslagen. Zijn leven wordt gekenmerkt door angst en angstvalligheid die zich veelal vertaalt in precies het tegendeel ervan. Hij blaast zichzelf op en manifesteert zichzelf als onverschrokken. Maar ondertussen .. !

In het verhaal van vanmorgen zijn dat respectievelijk Elia en Achab. Elia bekent zich tot de god van Israël en Achab gaat in zee met Baäl.

Vanmorgen wil ik eens met u kijken naar hoe wij ons die goden moeten voorstellen. In hoeverre herkennen wij ze? En op welke manier spelen zij in onze levens al dan niet een rol?

Vroeger, toen ik veel jonger was, had ik een tamelijk simpele opvatting over wat godsdienst was en wat afgoderij wilde zeggen. Dat ik daarmee voor de draad durf te komen is omdat ik veronderstel dat ik daarin niet de enige zal zijn geweest. Mij was duidelijk dat wij verondersteld werden die god van Elia, de god van Israël te vereren. En dat dan niet alleen omdat hij een goede en liefdevolle god was maar vooral omdat hij de enige echte was. Er bestonden naast hem geen andere goden. Dat sommige mensen dachten dat dat wel zo was, dat had iets sneus. Zij wisten blijkbaar niet beter. Of ze waren tegen beter weten in eigenwijs en halsstarrig, dat zou ook kunnen. Maar in dat geval zouden ze van de koude kermis thuiskomen.

Achteraf blijkt die manier van denken niet alleen heel pretentieus maar ook nogal wereldvreemd. Een verhaal zoals dat vanmorgen voorligt maakt dat meteen duidelijk. Er ligt namelijk geen ‘wij-zij’ denken aan te grondslag. Het is daarentegen een verbeelding van onze eigen ambivalentie, onze eigen dualiteit. Om het wat schematisch te zeggen: een deel van ons zal aangesproken worden door Elia en waar hij voor staat. Zeker op onze beste momenten wagen wij het immers om kwetsbaar en open te zijn. Maar een minstens zo groot deel van ons gaat blind met Baäl in zee. Dat is die helft die gelooft dat je toch echt verder komt wanneer je je breed maakt, wanneer je jezelf poneert en vasthoudt aan het eigen gelijk. Je zorgt dat je sociaal en economisch op een stevige fundament staat. dan maakt immers niemand jou meer wat.

Wel, precies dat zijn in de beeldtaal van de bijbel die vermaledijde afgoden die onderdak vinden in de Baältempels. Van Achab wordt verteld dat hij ontrouw is aan de traditie van broosheid waarin hij verondersteld wordt te staan. Zo richt hij een asjerapaal op. U moet een beetje een dirty mind hebben om aan te voelen wat dat is. In zo’n paal wordt een fallus herkend. Dat wil zeggen dat Achab zijn heil zoekt bij de wetten van de biologie, dus bij het geloof in mannelijke potentie en het recht van de sterkste. Dat staat haaks op de traditie waarin juist in wat breekbaar is waarheid en waarachtigheid wordt vermoed.

Iemand als Achab wordt in de bijbel altijd gediagnosticeerd als bang, als een angstige man. Verhalen als deze stellen daarom onze angsten aan de kaak. Zij nodigen uit ons af te vragen in hoeverre wij ons door onze angsten laten gezeggen. Want wie goed kijkt zal gaan zien dat het inderdaad zo dikwijls de angst is die ons ertoe aanzet om ons breed te maken, als onze angsten het voor het zeggen krijgen, dan gaan we lawaai maken, dan blazen wij ons op en schoppen we om ons heen.

Ik hoop dat u intussen meemaakt dat een verhaal als dat van Achab en Elia de verbeelding is van een altijd opnieuw terugkerend innerlijk conflict. Het schetst twee radicaal van elkaar verschillende manieren van in het leven staan. Het vraagt aan waar wij in dit spanningsveld staan en positie kiezen.

Dat thema laat ik verder rusten. Daar mag u thuis op broeden. Waar ik wel even op door wil gaan is de vraag naar hoe wij ons intussen die beide goden voorstellen, Baäl en de god van Elia. Wat mij, toen ik me met deze verhalen bezig hield, opviel is dat God en de goden dus niet de namen zijn van zoiets als hogere machten of andere metafysische krachten. Het zijn aspecten van onszelf die wij verabsoluteren, kanten van het menszijn waardoor wij ons laten gezeggen, eigenschappen waarbij wij ons heil zoeken. En dus ‘vergoddelijken’! Onze god of goden bestaan dus, althans zo begrijp ik het, niet zozeer buiten ons om. Het is een mogelijkheid die wij met ons meedragen. Maar dan wel een mogelijkheid die wij al onontkoombaar ervaren en die wij zoveel macht toekennen dat wij ervoor op de knieën gaan.

Dat is toch heel spannend, ik hoop dat u dat meemaakt. Want dan is de vraag die bij voorbeeld dit verhaal aan u en mij stelt: waarvoor kniel jij? Wees es eerlijk. Voor Baäl? Dat kan toch bijna niet anders? Of weet jij je op momenten gedragen door een zo ongerept vertrouwen dat je het met de god van Elia aandurft?

Bestaat God? Wat mij betreft wel degelijk. En dan heb ik het over zowel Baäl als over de god van Israël. Zij bestaan niet in de zin van onze empirische wereldbeschouwing. Een moderne wetenschappen zal hun bestaan ontkennen. Maar als ervaringscategorieën zijn zij er wel degelijk. En ze spelen beiden in ieder mensenleven een rol.

Waar de bijbelverhalen ons onvermoeibaar toe uitnodigen is onze angsten af te leggen en om eindelijk vrijmoedig en onbevangen op eigen benen te gaan staan. Om, met andere woorden, er als Elia op te vertrouwen dat er voor jou gezorgd zal worden, kome wat komt. Dat je geborgen bent. Dat de bron waaruit je drinkt niet op zal drogen. Dus om ‘ja’ te zeggen tegen het leven. Omdat het ‘goed is, ja zeer goed’.

Waar het, kortom, om gaat is het vinden van de toegang tot dat vertrouwen dat ergens diep in onszelf zijn woning vindt. En om, vervolgens, van daaruit het leven gestalte te geven. Dat vertrouwen zal Baäl zondermeer ontmaskeren. Hij zal wegsmelten, als sneeuw voor de zon.

Zoals gezegd tot slot een paar voorbeelden. En dan dus met name van een dergelijk intiem begrip van het woord god.

Om te beginnen een voorbeeld uit de jaren dat ik in de gevangenis werkte. Daar werd mij door gedetineerden met een zekere regelmaat de vraag gesteld of wij samen zouden kunnen bidden om vergeving voor wat er mis was gegaan in zijn leven. Ik kon me die vraag vaak goed voorstellen. Niet zelden was dat heel heftig, wat er fout gelopen was. En het is lastig om  dag in dag uit te moeten leven met het besef dat jij het leven van iemand anders beschadigd hebt. Daarmee heb jij ook dat van jezelf beschadigd. En als die beschadigingen zouden kunnen worden hersteld of teniet zouden kunnen worden gedaan, is dat van grote betekenis.

Mijn antwoord was daarom eigenlijk steeds dat ik dat verlangen begrijp. Maar dat het er in de eerste plaats op aan komt dat hij (de gedetineerde) zichzelf leert vergeven. Dat wil zeggen dat hij onder ogen gaat zien, dat hij leert accepteren dat zijn delict deel uitmaakt van het verhaal dat zijn leven is en dat hij leert desondanks van zichzelf te houden. Als dat het geval is zal hij ontdekken dat er ook niets meer tussen hem in God in staat. Dan zal hem zijn delict zijn vergeven. Wat ik daaraan kan bijdragen? Ik kan een gesprekspartner zijn in dat lastige, vaak lange een pijnlijke proces.

En dan nog iets uit een andere, meer recente context. De afgelopen week heb ik veel verdriet onder ogen gekregen. Ik voerde gesprekken met twee lieve mensen die onlangs op veel te jonge leeftijd alleen kwamen te staan omdat hun partner overleed. En vrijdagmiddag leidde ik de begrafenis van iemand die veel tekort is gekomen in haar leven. Het besef daarvan was voor haar familie en andere betrokkenen misschien wel het meest verdrietige tijdens het afscheid nemen.

Maar ik voerde ook een mooi gesprek met wat ouder wordende vrouw die haar partner enkele jaren geleden aan de dood heeft moeten afstaan. Zijn dood deed haar hele bestaan op zijn grondvesten schudden. En zoals ook de andere twee rouwenden die ik van de week sprak, werd zij gekweld door de vraag of er ergens daarboven iemand is bij wie zij haar geliefde geborgen mag weten. Met alles wat zij in zich had, had zij voor hem gezorgd. Die zorg was een niet onbelangrijk deel van hun relatie geworden. Toen hij dood was en zij hem niet meer kon bereiken kon zij de vraag wie zich nu over hem moet ontfermen niet uit haar hoofd zetten. Zij zei dat het haar zo zou hebben geholpen als zij zou weten dat er ‘daarboven’ iemand was die zich nu over hem ontfermde. Zij zou niets liever willen dan een concreet teken ontvangen dat hij goed is aangekomen en dat alles goed is.

Totdat het volgende gebeurde. En ik ga u dat vertellen omdat in wat er volgde haar verlangen naar een verre, concrete en eigenmachtige God getransformeerd werd tot een diep van binnenuit opkomend vertrouwen in .. ja, in wat? Laat ik voorzichtig zeggen: in het leven zelf. Op dat moment bleken al haar vragen en zorgen volkomen verdampt.

Zij was met een vriend vanuit Amsterdam onderweg naar Harlingen in Friesland. Die vriend had haar uitgenodigd om samen met zijn gezin een weekend door te brengen op Terschelling. Zij voelde daar helemaal niets voor maar durfde de hartelijkheid die haar ten deel viel niet af te wijzen. Samen zaten zij in de auto. Toen zij Hoorn voorbij waren veranderde het weer. Opeens brak de zon door. De zeldzame weidsheid van het Noord Hollandse landschap openbaarde zich in volle glorie. Overal om haar heen was stralend verlichte ruímte. En toen gebeurde het. Had zij tot dan toe verdrietig, eenzaam en bijna bozig in die auto gezeten, van het ene op het andere moment veranderde dat. Al die ellendige vragen die haar zo pijnlijk knevelden vervlogen in de grootsheid van wat zij voor zich zag. Een hemelsbreed vertrouwen steeg op uit de diepste lagen van haar bewustzijn, een vertrouwen dat niet alleen haar man, maar alles en iedereen, ja deze hele wereld en alles daar omheen omvat wordt door een liefde die onvoorwaardelijk en altijddurend is. Een cadeau was het, dat moment. ‘God’, zei ze, ‘dank je wel.

Amen

stilte

orgelimprovisatie

zingen                                     NLB 494: 1 en 2

gebed – stil gebed – Onze Vader

Hoezeer kan een mens niet in beslag worden genomen

juist door zijn angst en kwaadheid,

door verdriet en gemis,

en hoe ondenkbaar kan het hem voorkomen

dat hij ooit de weg terug zal  vinden

naar een bestaan waarin het volle licht vrij spel zal hebben.

Daarom schuilen wij hier bij elkaar,

in de hoop het geheimenis deelachtig te worden

waarin onze bestemming besloten ligt,

dat ons het besef aangereikt wordt

dat wij ondanks alles wat ons bindt, klein houdt

en weghoudt van wie wij ook zouden kunnen zijn,

gewíld zijn en, letterlijk, bedóeld.

Dat wij daaruit de troost en het vertrouwen putten

dat onze verbondenheid met ons diepste zelf,

met elkaar en met deze wereld onopgeefbaar is

omdat zij en wij met elkaar geborgen zijn

in een trouwe liefde die ons denken verre overstijgt,

vandaag en morgen en alle dagen die nog zullen komen.

zingen                                     NLB 23c

zegen