De Woudkapel, Bilthoven                                                                               zondag 7 april 2019

 

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Organist: Jan Siemons

 

Liturgie

 

0          welkom, mededelingen, kaars etc.

 

0          zingen                                                 BB 24: 1, 2 en 3

 

0          inleiding op de dienst

Vanmorgen lezen we het verhaal van de genezing van een blinde man uit het evangelie naar Johannes. Rembrandt maakte zich er een voorstelling van die hier op de achtergrond te zien is. Eigenlijk vermoed ik dat het een verhaal is dat niet zoveel uitleg behoeft. Het legt zichzelf wel uit. Het vertelt van een blinde man die weer gaat zien. De uitnodiging die van ook dit verhaal uit gaat, is om onszelf in die blinde man te herkennen. En om dan, samen met hem, weer ziende te worden. Dat wil zeggen: afscheid nemen van onze blindheid, van ons hopeloos beperkte kijken en zien. We komen daar nog uitgebreid over te spreken. Ik lees u een gedicht voor dat Huub Oosterhuis bij dit bijbelverhaal schreef en dat daarbij alvast een richting wijst.

 

Gezalfd en opperbest

Hoog op mijn vet gezeten

Had ik een zwijn gegeten

Mijn hart stonk naar de mest

 

Maar middenin de zomer

Kwam onze heer voorbij

Spoog op de grond, maakte slijk

En streek het op mijn ogen

 

Sindsdien vel over been

Loop ik hardop te dromen

Dat hij terug zal komen

Met ogen voor iedereen

 

0          muziek                                                 orgelimprovisatie

 

0          lezing uit de Bijbel                              uit Johannes 9`

De improvisatie van onze organist Jan Siemons is bedoeld als een in memoriam van Ton Herstel die afgelopen week is overleden en die hier in de Woudkapel de jaren negentig organist is geweest.

 

9: 1In het voorbijgaan zag ​Jezus​ iemand die al vanaf zijn geboorte ​blind​ was. 2Zijn ​leerlingen​ vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij ​blind​ was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van ​Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. … 6Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de blinde 7en zei tegen hem: ‘Ga naar het badhuis … en was u daar.’ De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.

 

24De joden riepen de man die blind geweest was bij zich en zeiden: wie heeft gemaakt dat u weer kunt zien? En hij zei dat Jezus dat was: ik was ​blind​ en nu kan ik zien.’ 26Ze drongen aan: ‘Wat heeft hij met je gedaan? Hoe heeft hij je ogen geopend?’

 

0          zingen                                                 NLB 534: 1, 2 en 4

 

0          overweging

We leven in roerige tijden. En dan doel ik even niet op wat er speelt rond de Brexit of in Libië maar blijf ik vanmorgen stilstaan bij een revolutie die zich voltrekt in onze eigen, Westerse cultuur. Wij zijn getuige van een ontwikkeling die mij deed denken aan het verhaal dat wij zo-even lazen uit het evangelie naar Johannes.

 

Veel van wat ons vertrouwd was en wat wij lange tijd als vanzelfsprekend hebben beschouwd, is dat opeens niet meer. Oude zekerheden worden gerelativeerd of verdampen. Dat heeft ermee te maken dat wij ons in toenemende mate bewust worden van de eenzijdige normativiteit van onze manier van kijken. We zouden kunnen zeggen dat wij in zekere zin blind waren en dat ons de schellen van de ogen aan het vallen zijn. Het gevolg is dat er zich een verwarrend nieuw landschap aan ons openbaart, een landschap waarin we stukje bij beetje thuis moeten zien te worden.

 

Ik sluit niet uit dat u nu niet meteen al een voorstelling hebt van waarover ik spreek. Maar dat gaat komen. U kunt gerust zijn. Hoewel het een ontwikkeling betreft die in zich in veel aspecten van het leven openbaart, wil ik één en ander illustreren aan de hand van wat er in de wereld van de kunst, of liever in die van de musea te beleven valt. De reden dat ik voor deze invalshoed, die van de kunsten, kies, is omdat de kunst de thermometer van de samenleving is. Wie naar kunst kijkt, kijkt in een spiegel.

 

In de museumwereld is op dit moment sprake van een wereldwijde heroriëntatie op de manier waarop wij de afgelopen periode (en dan denk ik aan wel een aantal eeuwen!) hebben gekeken. Langzaam maar zeker dringt het besef zich op dat wij blind waren voor wat er allemaal te zien valt. Onze blik was dusdanig verkokerd dat er veel onopgemerkt is gebleven.

 

Vanmorgen wil ik u daarvan een aantal voorbeelden laten zien. En dan moet ik kiezen want vrijwel ieder museum is bezig die verkokering af te werpen.

 

Ik begin met een foto die iemand van u mij toestuurde naar aanleiding van een tentoonstelling in Rijksmuseum Twente over ‘De naakte waarheid, het naakt in 6 eeuwen beeldende kunst’:

 

 

U zult meteen begrijpen wat hier bedoeld wordt, namelijk dat de blik waarmee een museumcollectie tot stand komt voornamelijk mannelijk is. En dan zijn het ook nog vrijwel uitsluitend wítte mannen waar ik het over heb. Dat is heel lang vanzelfsprekend geweest. En het is goed dat daar nu eindelijk de aandacht op wordt gevestigd – om een heel palet aan redenen. Ik noem u er twee: we moeten niet onderschatten wat het betekent voor aan de ene kant het zelfbeeld van vrouwen en aan de andere kant het beeld dat mannen van vrouwen hebben als vrouwen vooral als lustobject worden afgebeeld. Onwillekeurig nestelt een dergelijke presentatie zich ergens diep van binnen, zowel bij vrouwen als bij mannen. En als ik zou vragen of dat wenselijk is, is dat een cynische en volstrekt retorische vraag. Èn, en dat ten tweede, blijkbaar is het zo dat de kunst die vróuwen maken niet serieus wordt genomen. Want waarom zou deze kunst anders maar mondjesmaat tot de museumzalen zijn doorgedrongen? Nadrukkelijk geafficheerde observaties als deze hierachter, op dat tableau uit het Twents Museum kunnen onze ogen daarvoor openen en ertoe bijdragen dat er een andere koers gevaren gaat worden.

 

Door de toegenomen mobiliteit in met name de afgelopen decennia, maar ook door de opkomst en de wereldwijde verbreiding van het internet is de wereld eindeloos veel kleiner geworden dat hij was. We leggen niet alleen in een oogwenk contact met de verste uithoeken van onze planeet, we zwerven ook uit naar weet ik waar naartoe om er te werken, familie of vrienden te bezoeken of om een weekje zon te scoren. En ook omgekeerd komen er mensen overal vandaan om heel uiteenlopende redenen voor kortere of langere tijd naar hier. Dat heeft ertoe geleid dat het als vreemd ervaren ging worden om het perspectief van alleen maar die witte mannen zo centraal te stellen.

 

Daarom zijn eigenlijk alle grote kunstpodia op de wereld bezig zijn hun collecties zoals dat heet ‘inclusiever’ te maken. Wat getoond wordt moet representatief zijn voor de deelnemers aan de samenleving. Dus vrouwelijke kunstenaars moeten meer ruimte gaan innemen in de collecties, maar zeker ook zwarte kunstenaars moeten een podium kunnen krijgen. De wereld is niet dus langer het domein van enkel die witte mannen. Zij zullen aan macht en invloed moeten inboeten.

 

De meest in het oog springende poging daartoe doet het New Yorkse MOMA (Museum of Modern Art). Vanaf deze maand is het MOMA een half jaar gesloten om de collectie, de opstelling en ook de titels van de tentoongestelde werken aan te passen aan de inzichten van nu.

 

Faith Ringgold, American People, MOMA, New York

 

Dit is een schilderij uit het begin van de jaren ‘60 van de zwarte, Amerikaanse kunstenares Faith Ringgold. Een van haar thema’s was de rassenscheiding en de daaraan ten grondslag liggende problematiek in haar land. Hoewel zij als zeer getalenteerd werd beschouwd, kreeg zij destijds maar weinig aandacht. Haar onderwerp schuurde wellicht te veel. Maar bovendien was het vooral de abstracte kunst die in die jaren de toon zette. De aandacht van de kunstcritici ging uit naar, daar heb je ze weer, naar wat witte mannen maakten. Samen, de kunstkritici en deze selecte groep kunstenaars, samen bepaalden zij wat grote en wat minder grote kunst was.

 

In de nieuwe opstelling van het MOMA zal dit werk, ‘American People’, een centrale plaats gaan krijgen in de vaste opstelling. Diezelfde zalen, misschien kent u ze, zijn nu ingericht rondom het schilderij Les demoiselles d’Avignon van Pablo Picasso maar dat werk zal nu dus moeten wijken. Er komt werk van een zwarte vrouw voor in de plaats.

 

Olympia van Edouard Manet

 

Nog een voorbeeld. U zult het wellicht gelezen hebben dat het bekende schilderij Olympia van de Franse schilder Edouard Manet tijdelijk een andere titel zal dragen. Het hangt in het Museum Orsay in Parijs dat de baanbrekende tentoonstelling ‘Le modèle noir’ heeft samengesteld. Het schilderij zal, in elk geval voor de duur van de tentoonstelling ‘Laure’ heten. Dat is de werkelijke naam van het zwarte model dat rechts op het schilderij met de enorme struik bloemen staat afgebeeld. De reden van het museum om dit te doen is dat het tijd wordt geacht om haar bij haar naam te gaan noemen, zeker omdat wij die naam kennen. Witte modellen worden ook altijd bij name genoemd. Die namen geven niet zelden het betreffende schilderij een naam mee. Op de één of andere manier leek het tot nu toe voldoende om, als het zwarte mensen betrof, te volstaan met aanduidingen als: negerin met bloemen. Of, in geval van een ander schilderij: ‘portret van een neger’. Maar ook van dat model, die zwarte meneer, kennen we de naam. Daarom heet dat schilderij sinds kort ‘Joseph’.

 

Met deze voorbeelden hoop ik te laten zien dat een manier van kijken die volstrekt algemeen was en daarom als normaal werd beschouwd dat in de loop van de afgelopen jaren steeds minder werd. Nu kunnen we verbaasd zijn over hoe blind we waren als het gaat over onder meer gelijkgerechtigdheid en genderneutraliteit. Daarom doen we hard ons best ons blikveld te verbreden. En dat lukt hier en daar wonderwel. Op veel van de podia voor moderne kunst is voelbaar dat er andere tijden staan aan te breken. Ik geef u ook daarvan een klein voorbeeld.

 

Theaster Gates (Palais de Tokyo)

 

Dit is een afbeelding van een installatie van de zwarte kunstenaar Theaster Gates die onlangs te zien was in Palais de Tokyo, het museum voor moderne kunst in Parijs. Wat Gates wil laten zien, is dat de moderne samenleving een smeltkroes is van mensen met uiteenlopende etniciteiten, identiteiten, nationaliteiten en loyaliteiten. Veel van zijn werk brengt dit voelbaar dichtbij. Deze installatie toont een woud aan gezichten (maskers) van heel verschillende delen van de wereld.

 

In dit kader nog even kort iets over de TEFAF, de jaarlijkse, internationale antiekbeurs in Maastricht. Wellicht zijn er onder u die er geweest zijn. Op de TEFAF is alleen de absolute top te zien. De beste galeries en antiquairs ter wereld staan daar met het mooiste wat de menselijke soort heeft voortgebracht. Zo had u er ook een voor, als ik het me goed herinner Euro 50.000,00, een Afrikaans Songie Kifwebe masker kunnen kopen.

 

Songie Kifwebe masker

 

Ik sprak iemand die er net vandaan kwam en gefrustreerd vertelde dat je de TEFAF onmogelijk nog een kunstbeurs kon noemen. In zijn ogen was het een beurs voor enkel handelaars, zoiets als indertijd de RAI was voor auto’s. En het bewijs voor die stelling vond hij in het feit dat er een aparte hal was met voornamelijk Afrikaanse kunst. In de folder werd die afdeling aangeduid als ‘tribal art’. Mijn zegsman zei met nauwelijks verholen minachting: ‘De leiding van de TEFAF heeft blijkbaar geen weet van de discussies die overal in de kunstwereld en daarbuiten worden gevoerd. Anders zou zij dit soort denigrerende niet durven bezigen.’

 

Ik kan het niet laten u nog een ander recent en actueel voorbeeld te noemen. Naar mijn overtuiging ook een teken van verkokerd kijken en dus van blindheid van wat er echt aan de hand is.

 

Enkele dagen na de aanslag in Utrecht, dus nu een week of twee geleden, beluisterde ik min of meer toevallig een collega-predikant die uitgebreid op het gebeurde inging. Hij benadrukte hoezeer ‘wij’ (en daarmee bedoelde hij, neem ik maar aan, zijn christelijke toehoorders), hoe ‘wij’ van het gebeurde in de war waren geraakt. Even later had hij het over ‘het kwaad’ dat met de aanslagpleger in onze levens was binnengedrongen om het nog weer later nadrukkelijk op te nemen voor de slachtoffers en hun nabestaanden.

 

‘Niets mee mis’, zult u wellicht denken? Wel, terwijl ik zat te luisteren groeide mijn verbazing. En, om eerlijk te zijn, óók mijn teleurstelling. Want hoezeer ik zijn goede bedoelingen ook begreep, ik vroeg mij af of zijn benadering niet een beetje heel eenzijdig was. Hij leek het alleen te hebben tegen degenen met wie hij zijn eigen cocon deelde. Dat er daarbuiten ook een enorme werkelijkheid is, leek niet in hem te zijn opgekomen. Om maar iets te noemen: als er iemand in de war was, dan zal dat toch die dader zijn geweest. En natuurlijk is het leed van getroffenen en nabestaanden niet te overzien. Daar ga ik niets aan afdoen. Maar wat denkt u van bij voorbeeld de pijn en het verdriet van de moeder van zo’n volstrekt ontspoorde dader? Het zal je kind maar zijn. Of wat te denken van de islamitische gemeenschap in Nederland die door zo’n gek, of misschien moet ik zeggen: door de manier waarop de media over die aanslag schrijven opnieuw op een schrijnende gestigmatiseerd wordt? In welk schema leeft zo’n dominee? Hij lijkt de wereld te verdelen in ‘good guys and bad guys’? Zou hij er inderdaad blind voor zijn dat de reikwijdte van zo’n aanslag dat schema verre overschrijdt? Zou hij het verhaal van de genezing van de blinde man niet kennen? En dus de uitnodiging om een bredere perceptie van de werkelijkheid te omarmen niet hebben gehoord?

 

Dat verhaal over de genezing van een blinde eindigt met de vraag ‘Hóe zijn jouw ogen geopend?’ Met andere woorden: wie of wat is het dat jou geholpen heeft om anders, op een nieuwe manier naar de werkelijkheid te gaan kijken? Misschien moeten we ons eerst afvragen wat het is dat maakt dat we ons afsluiten voor wat er óók te zien is en dat we ons opsluiten in onze eigen vertrouwde bubbel.

 

Niet zelden heeft dat met angst te maken. Angst voor wat vreemd is, angst chaos en angst te zullen moeten veranderen. Dat wil zeggen dat we bang zijn om onze verworvenheden prijs te moeten geven. En het heeft dikwijls te maken met een gebrek aan vertrouwen. Vertrouwen in wie jijzelf wel niet bent. Vertrouwen in de ander die toch ook een mens is van vlees en bloed. Een kind van God. En misschien uiteindelijk wel vertrouwen in het leven zelf. Blijkbaar is dat het wat Jezus in dit verhaal doet. Hij helpt te man om over zijn angst heen te stappen en hij reikt hem het vertrouwen aan om weer in het leven én in zichzelf te gaan geloven als iemand die er wezen mag, die gezien mag worden en die het waard is te worden bemind.

 

Dat vertrouwen schept de ruimte om vrijmoedig te gaan zíen. Een dergelijk vertrouwen schept perspectief, uitzicht en ruimte maar het vraagt er om om voortdurend onderhouden te worden. Ik ben ervan overtuigd dat de kerken daarin een wezenlijke rol kunnen spelen. Vandaar ook mijn frustratie na het horen van hoe mijn collega positie koos na de aanslag in Utrecht. Wat hij deed, was het bevestigen van de angst die hoort bij het ‘wij-zij denken’. Als wij érgens uitgenodigd zouden moeten worden om uit onze cocon te kruipen, als ergens onze bubbel uiteen zou moeten spatten, dan is het in de kerk.  Plekken als deze nodigen uit om de weg naar binnen te gaan – om te zoeken naar de schatten die verborgen liggen in de diepten van onze ziel – om te luisteren naar verhalen die ons vertrouwen bevestigen – en om met elkaar te delen wat wij aan waarheid en waarachtigheid ontmoeten.

 

Dan zullen wij ons stap voor stap kunnen bewegen in de richting van een werkelijkheid waarin wij het niet langer nodig hebben om ons te verschansen in wat ons vertrouwd en veilig voorkomt. Dan openbaart zich een perspectief waarin wij elkaar gebroederlijk en gezusterlijk zullen kunnen omarmen.

Amen

 

0          stilte

 

0          zingen                                                 LDK 487 (De Heer heeft mij gezien): 1 en 3

 

0          gebed

 

0          zingen                                                 NLB 657: 1 en 4

 

0          zegen