Inleiding op de dienst

Helaas is het mij niet gelukt de groep over de spiritualiteit van Dag Hammerskjöld voldoende goed voor te bereiden en heb ik deze daarom af moeten zeggen. Maar de groep waarin we een zestal hoofdstukken uit het evangelie naar Johannes zullen lezen gaat wel door. U kunt zich, als u dat wilt, nog opgeven voor een middag- of een avondgroep.

Op enkele andere plaatsen ben ik al begonnen met het lezen van de verhalen uit het laatste evangelie. Het gesprek erover bracht aspecten aan het licht die bij de voorbereiding min of meer aan mij voorbij gegaan waren. Toen ik een onderwerp of thema voor deze dienst moest kiezen, bedacht ik dat het misschien aardig zou zijn om u ter introductie iets over Johannes te vertellen. Misschien helpt u dat over de drempel en geeft u zich alsnog op.  Maar bovendien vond ik het prettig om wat pas na afloop van de gesprekken werkelijk tot mij doordrong nog eens onder woorden te brengen. Een dienst als deze bood daarvoor een goede gelegenheid.

 

Schriftlezing

Johannes 1: 43De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ 44Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. 45Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ 46‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken,’ zei Filippus. 47Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ 48‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ 49‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 50Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ 51‘Waarachtig, ik verzeker jullie,’ voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.’

 

Overweging

Wellicht hebt u afgelopen vrijdag op NPO 3 ook naar de film ‘Niemand in de stad’ gekeken? Ik zag de film voor de tweede keer en hij maakte opnieuw een geweldige indruk op mij. Ik zou geen andere film kunnen noemen die zo invoelend en zo dicht op de realiteit de menselijke onmacht en tragiek verbeeldt. Maar waar het me nu, in het kader van ons verhaal uit het evangelie naar Johannes om gaat, is het citaat uit Psalm 23 waar de film mee begint en eindigt. Zowel aan het begin van de film als aan het eind kijken we naar een scène uit een begrafenisdienst waarin de voorganger die psalm leest: ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, Gij zijt bij mij’. En vervolgens legt hij uit dat met dat ‘Gij’ de God van Israël bedoeld wordt, JHWH, Jahweh. Dat betekent: ik ben die ik ben. Hij vervolgt zijn overweging met de opmerking: ‘Wie wij zijn valt niet altijd samen met hoe anderen ons zien of willen zien.’ Ik veronderstel dat deze voorganger daarmee in eerste instantie ons beeld van God op het oog heeft. Het beeld dat wij van God hebben, de manier waarop wij hem ons in onze fantasie voorstellen, strookt zelden met hoe hij ons in de verschillende Bijbelverhalen wordt gepresenteerd. Maar gezien de context van het fragment, mogen wij beslist ook aan de overledene denken. Het beeld dat wie zijn omgeving van hem heeft, wijkt dramatisch af van hoe hij zichzelf ziet en ervaart.

 

De observatie dat wij ‘niet samenvallen met hoe anderen ons zien of willen zien’ sluit aan bij het verhaal over de ontmoeting van Natanaël en Jezus uit het evangelie naar Johannes. Zoals ik al zei heb ik in de nu afgelopen week met een tweetal groepen een begin gemaakt met het lezen van een zestal verhalen uit het Johannesevangelie. Het verhaal over de roeping van Natanaël dat ik zo-even voorlas stond in beide groepen centraal. Dat ik er nu op terugkom, is omdat ik in de loop van deze week meer en meer onder de indruk kwam van wat ons in die paar regels wordt voorgehouden en aangereikt. Ik wil daar graag nog even bij stilstaan.

 

Het verhaal is een gedeelte uit de eerste hoofdstukken van het evangelie naar Johannes waarin verteld wordt hoe Jezus een kring van vrienden, leerlingen en discipelen om zich heen verzamelt. Dat lijkt allemaal tamelijk vanzelfsprekende te gaan. Alleen van Natanaël wordt verteld wat het is waardoor hij zich zo door Jezus geraakt weet. En dat heeft ermee te maken dat hij door hem zich als nooit tevoren gezien maar vooral gekend is gaan voelen.

 

Misschien is het goed om even te vermelden dat Jezus in het evangelie naar Johannes een andere rol heeft dan in de andere drie evangeliën. Bij Johannes geeft Jezus eigenlijk steeds gestalte aan, laat ik zeggen, de geest van God. In deze verhalen is de ontmoeting met Jezus daarom vooral de ontmoeting met God. Wij zouden, in de taal van onze tijd, zo’n verhaal de beschrijving van een intense religieuze ervaring kunnen noemen, een moment waarop een mens deel krijgt aan een werkelijkheid die die van alledag overstijgt.

 

In de regels die we lazen wordt het moment geschilderd waarop Natanaël zich ten diepste gezien weet. Zonder daar verder al te diep op in te willen gaan, zal ik even uitleggen waar we dat uit op maken. Jezus zegt twee dingen over of tegen hem die hem dat gevoel geven. In de eerste plaats dat ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’  En, als antwoord op de vraag van Natanaël ‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’

 

‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ Ik ben benieuwd of uw oor intussen voldoende geoefend is om te horen waaraan Jezus hier refereert? Het gaat om de keuze voor het ongebruikelijke woord ‘Israëliet’ in combinatie met het woord ‘bedrog’. De goede verstaander (en wij moeten ons realiseren dat alle oorspronkelijke hoorders van deze evangeliën dat waren!) zullen meteen aan aartsvader Jacob uit het boek Genesis hebben gedacht. In het vorige seizoen hebben we in verschillende gespreksgroepen een aantal verhalen over hem gelezen. Het leven van Jacob wordt gekenmerkt door list en bedrog. Totdat hij uiteindelijk, na veel strijd, met zichzelf samen gaat vallen. Hij heeft het niet langer nodig om zichzelf met behulp van list en bedrog overeind te houden. Op dat moment krijgt hij een andere naam. Vanaf dat moment zal hij ‘Israël heten. Dat betekent zoiets als: ‘Ik heb met God en mensen gestreden en ik heb overwonnen’. Wat Jezus hier dus doet, is Natanaël duidelijk maken dat hij ziet hoe hij zijn stinkende best doet om in alle eenvoud en gehoorzaamheid in het voetspoor van Jacob te treden. Hij wil zichzelf niet voor de gek houden. Hij poogt transparant te zijn: een ware Israëliet, een man zonder bedrog.

 

En als Jezus zegt hem te kennen van toen hij onder de vijgenboom zat, is dat niet zozeer een plaatsaanduiding maar een uitdrukking die in die dagen graag gebruikt werd. ‘Onder de vijgenboom zitten’ wil zeggen ‘iets missen, je leeg voelen’. Een beeld voor iets missen, een leegte voelen. Ook dat heeft Jezus met andere woorden in één oogopslag aan Natanaël gezien.

 

Jezus maakt Natanaël in twee korte zinnen duidelijk dat hij hem begrijpt, in zijn verlangen en in zijn gemis. Het is zijn diepste verlangen om transparant te zijn, enkelvoudig, zonder dubbele agenda’s. En hoewel hij gehoorzaam is aan zijn verlangen, levert het hem vooral een gevoel van eenzame leegte op. Hij zou het zo graag anders zien en ervaren maar God blijft op afstand. Natanaël zit daar maar, hij weet intussen niet hoe lang al, in zijn eentje onder de vijgenboom. Maar hij volhardt en blijft trouw aan wie hij denkt te moeten zijn.

 

En dan weet hij zich van het ene op het andere moment herkend en gekend in zowel dat eenzame streven als in zijn pijnlijke hunkering. Dat ene moment verandert zijn leven. Het is een tot dan toe létterlijk ongekende ervaring die alles in een ander licht zet.

 

Wat ook in het gesprek dat wij in de gespreksgroepen van afgelopen maandag en dinsdag naar voren kwam maar wat, toen het in de dagen die erop volgden nog beter tot mij doordrong, nog meer raakte is dat dit verhaal ons eigenlijk vóór houdt dat de, laat ik zeggen, ‘normaalstand’ is dat wij eenzaam zijn. Vervreemd, vreemdelingen. Dat is wat mij nu al de hele week bezig houdt: mensen als u en ik, wij weten ons over het algemeen niet werkelijk herkend of gekend. Zo goed en zo kwaad als het gaat, geven wij gestalte aan het leven dat ons is toebedeeld. Daarbij telt vooral dat wij ons zullen weten te handhaven, overeind te blijven. Het diepste verlangen om werkelijk te worden gekend, lijkt minder urgent. Daar wordt veelal met een zekere vanzelfsprekendheid overheen geleefd.

 

Toen ik vorige week, ik geloof op de site van de NOS las dat onze minister van emancipatiezaken zich had uitgesproken over het besluit van de Franse overheid om vast te leggen dat er geen verschil meer mag worden gemaakt tussen speelgoed voor jongens en speelgoed voor meisjes realiseerde ik mij meteen dat tal van mensen zich weer de kast op zouden laten jagen. Heerlijk. Een dergelijk bericht staat garant voor een wat mij betreft verrukkelijke onrust. Die onrust werd door de minister overigens vakkundig gesust met de opmerking dat we niet bang hoefden te zijn dat zij een kind haar pop of zijn autootje zou komen afpakken.

 

Ik snap natuurlijk ook dat zo’n berichtje iets hilarisch heeft. Dat is misschien zelfs ook mijn eerste gedachte.  Maar tegelijkertijd realiseer ik mij dat er toch echt óók een andere kant aan zit. Ik vermoed dat het percentage kinderen dat ongelukkig is met het keurslijf van de traditionele rolpatronen veel groter is dan wij kunnen bevroeden. Er wordt voorbij gegaan aan wie zij ten diepste zijn. Zij worden niet gezien zoals zij zijn. En hun strijd om dat dat niet gezien zijn verderop in hun levens te repareren, kan veel eenzame pijn en verdriet met zich meebrengen.

 

Zo zijn er tal van meer en minder herkenbare en tot de verbeelding sprekende voorbeelden te geven van hoe er voorbij gegaan kan worden aan het basale menselijke verlangen gekend en gezien te worden.

 

In het dagblad Trouw las ik een column van Leonie Breebaart over eigenlijk iets heel vergelijkbaars. Zij brak een lans voor de groepen mensen die ook in onze samenleving ervoor kiezen op een populistische partij te stemmen. De aanleiding voor haar column was de Abel Herzberglezing die dit jaar gehouden werd door de oud-voorzitter van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, Robbert Dijkgraaf. Leonie Breebaart had zich eraan gestoord dat Dijkgraaf in die lezing de wetenschap tegenover een aantal krachten plaatst die haar hinderen in het uitbouwen van haar positie. Hij was uiterst kritisch geweest waar het die tegenkrachten betrof: nepnieuws, klimaatontkenning, Donald Trump, Thierry Bodet, ze kregen er allemaal van langs. Breebaart kon zich daar tot op zekere hoogte wel in wel vinden maar vond het tegelijkertijd ongehoord dat iemand als Dijkgraaf verzuimt om zich ook maar één keer de knellende vraag te stellen hoe dat populistische wantrouwen tegen de wetenschap kan zijn ontstaan. Dijkgraaf lijkt zich ervan af te maken met de veronderstelling dat ‘het populistische virus wel weer over zal waaien’.

 

Breebaart pleit ervoor te pogen de herkomst van de tragische weerstand tegen de feiten te achterhalen. Dat zal met zich mee brengen dat de groepen waar Dijkgraaf zich tegen richt in beeld moeten komen. Het verlangt een collectieve inspanning deze groepen werkelijk te gaan zien en zo boven tafel te krijgen wat hun beweegt. Zij kan zich niet anders voorstellen dan dat dat de route is tot herstel van de verhoudingen.

 

Daar komt het dus op aan, op gezien zijn. De nulstand is vooralsnog dat wie en wat wij werkelijk zijn buiten beeld blijft. Wat in het oog springt is de manier waarop wij mensen ons proberen te handhaven in de samenleving. Niet zelden worden mensen als wij vereenzelvigd met onze coping mechanismes. De eenzaamheid die daarmee gepaard gaat lijkt vanzelfsprekend te zijn geworden. Hoe gek het ook klinkt, we realiseren ons dat nauwelijks meer. Wij zijn eraan gewend geraakt. We weten niet beter weten dan dat die eenzaamheid een deel van ons is. Zonder die stille eenzaamheid zouden wij onszelf niet eens herkennen.

 

Maar het verhaal van Natanaël vertelt dat fatalisme niet nodig is. Omdat het diepste menselijke verlangen bevredigd kan worden. In een enkel, onverwacht ogenblik. Dan valt alles op z’n plaats. Dat is het moment waarop hemel en aarde elkaar ontmoeten en omarmen. Johannes schildert dat met een beeld dat hij ook weer ontleent aan de verhalen van aartsvader Jacob. Als Jacob op de vlucht voor zijn broer Ezau uiteindelijk zijn moede hoofd neerlegt, droomt hij hoe de hemel openbreekt en de engelen Gods vrijelijk dansend en zingend hemel en aarde met elkaar verbinden.

Amen

 

Gebed, stil gebed, Onze Vader

Wij willen uiting geven aan onze dankbaarheid

Voor de vasthoudendheid waarmee zij zoeken

En gezocht worden.

Wij bidden dat wij trouw mogen blijven aan ons zoeken

Omdat wij daarmee trouw betuigen aan onszelf en aan elkaar.

Dat wij tegen alles in dat het leven vernielt

En wat deze wereld beschadigt

Overeind zullen blijven in ons zoeken.

 

Wij bidden dat wij volhardend genoeg zullen zijn

Om te blijven uitzien naar het moment

Waarop alle leven recht zal worden gedaan.

 

Dat wij behoed worden voor een leven

Alleen maar bij de dag,

Enkel in fatale berusting, zonder bestemming.

Dat wij bewaard worden voor een bestaan

Dat zich gewonnen geeft

Aan de onmacht, de hulpeloosheid.

 

Dat wij de voortekenen herkennen van de

Wereld waarop wij wachten.

Wij bidden dat met name voor wie in beslag genomen worden

Door het duister, voor wie wakker liggen in de nacht,

Verdrietig en wanhopig.

Voor wie leven in de slagschaduw van de dood,

Gewond door verlies en gemis,

Voor wie moeten leven met nog zoveel open vragen.

 

Zegen

De Heer zegene u en hij behoede u,

De Heer doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.

De Heer verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.