Voorganger: Pieter Lootsma   Organist/pianist: Gerard Zwart

Mattheus 7: 1 – 6 ‘Oordeel Niet‘ en Mattheus 22: 35 – 40 ‘Heb uw naaste lief

–          welkom, mededelingen, kaars, stilte etc.

–          zingen                             BB 63: 1 en 2

–          inleiding op de dienst

Vanmorgen wil ik het met u hebben over wat Jan Siemons die altijd de liturgieën zo mooi maakt daar van de week voorop heeft gezet: hoe wij geneigd zijn onze manier van kijken en denken als min of meer absoluut te beschouwen. Met andere woorden: het is voor de gemiddelde mens lastig om, laat ik zeggen, van perspectief te wisselen. Dat wil zeggen dat het moeite kost om één en dezelfde situatie, één en hetzelfde feit van verschillende invalshoeken te bekijken. Dat iemand anders eenzelfde gebeurtenis anders ziet, beleeft en interpreteert kan vreemd voor komen. Ik ga daar zo meteen meer over zeggen. Maar ik wil beginnen met u een kort filmpje te laten zien. Het is een column van Nazmiye Oral in het programma De nieuwe maan (ik weet niet of u het kent?) dat de NTR iedere vrijdag uitzendt en dat aandacht schenkt aan wat er zoal leeft in de Nederlandse moslimgemeenschap. Ook omdat het een nogal indringend verhaal en persoonlijk verhaal is, is het een misschien wat plompverloren begin van deze dienst maar dat spijt me dan. Ik kan alleen maar hopen dat u desondanks de ruimte hebt om wat zij zegt te hóren en tot u door te laten dringen.

–          zingen                                      NLB 462: 1, 2, 4 en 6

–          lezing uit de bijbel                  Mattheus 7: 1 – 6 en Mattheus 22: 35 – 40

Mattheus 7:1Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. 2Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden. 3Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 4Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen,” zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? 5Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen.

Mattheus 22: 35Om hem op de proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde: 36‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ 37Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. 38Dat is het grootste en eerste gebod. 39Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. 40Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’

–          orgel- of pianomuziek

–          overweging

Toen ik die column voor de eerste keer hoorde (ik kwam hem min of meer toevallig tegen op het internet) maakte hij nogal indruk op me. En wel om twee verschillende redenen. De eerste is dat ik mij helemaal kon voorstellen wat zij bedoelde. Op de een of andere manier herkende ik haar gevoel er nooit helemaal bij te zullen horen. Nazmiye Oral beschrijft heel nauwkeurig hoe dat komt: ondanks alle pogingen die zij onderneemt, weet de ander haar telkens weer duidelijk te maken dat er grenzen zijn ‘Je mag meedoen, príma zelfs,  maar je bent ánders en je moet niet gaan denken dat ik me dat niet realiseer. Daarom bepaal ik tot hoever jij kunt gaan.’

 

Wat er dus gebeurde terwijl ik kijk en te luister is dat ik me met haar identificeer. Ik kan mij betrekkelijk eenvoudig in haar perspectief verplaatsen. Dat ‘anders zijn’ is mij niet vreemd. Maar dat was niet alles. Er gebeurde nóg iets met me, tezelfdertijd. Want ik begin me óók betrapt te voelen. In situaties zoals zij die beschrijft heb ik precies dezelfde dingen gezegd als degenen die haar het gevoel gaven te worden buitengesloten. Létterlijk. Bij voorbeeld: ‘waar komt jouw familie oorspronkelijk vandaan?’ of ‘in hoeverre voel jij je nu Turks en in hoeverre voel jij je Nederlands?’. Toen ik dat zei heb ik me niet beseft dat ik de ander daarmee pijn berokken. Integendeel, ik stelde die vragen niet om de afstand tussen ons te benadrukken maar om de ander de kans te geven iets over zichzelf te vertellen. Ik wilde laten zien dat het voor mij min of meer vanzelfsprekend is dat iemand worstelt met een dubbele loyaliteit. Maar blijkbaar heb ik mij vergist. Dat doet pijn.

 

Intussen heb ik geen idee of u wat ik vertel kunt herkennen. Misschien ben ik te persoonlijk, dat zou kunnen. Maar de reden dat ik daar dan toch voor kies, is dat ik in de dagen die erop volgden en waarin deze dubbelheid voortduurde door mijn hoofd speelde een grappige of in elk geval opmerkelijke ontdekking deed. En die ontdekking rijmde op niet alleen de regels die ik voorlas uit het evangelie naar Mattheus (daar kom ik zo meteen op terug) maar ook op wat ik las in een verslag van de Bezinningsbijeenkomst in deze kapel nu twee weken geleden dat Joost Ruitenberg rondstuurde. Tijdens die bijeenkomst sprak Liesbeth Feikema heel aansprekend over de mogelijkheden die ons ten dienste staan om verschillende culturen en beschavingen te verbinden. Zij zei dingen die mij raakten en die mij verder hielpen.

 

Maar eerst nog even iets over, laat ik zeggen, mijn eigen proces. In het verleden heb ik dus precies diezelfde dingen tegen mensen met een migratieachtergrond gezegd die Nazmiye Oral pijn doen. Zo raakte ik in  mijn fantasie met haar in gesprek. Ik stelde mij voor dat ik ze tegen haar zei en dat zij mij daarna vertelde over wat dat haar deed. Ik incasseerde dat, met moeite. Maar ik voelde ook verzet. Iets in wat zij zei zat mij niet lekker. Er schuurde iets. Het kostte mij een paar dagen om er achter te komen wat dat was.

 

Om te beginnen: het zal waar zal zijn dat Nazmiye Oral zich afgewezen voelt als iemand vraagt ‘waar zij oorspronkelijk vandaan komt’; daar ga ik natuurlijk zondermeer van uit. Maar de conclusie die zij daar impliciet aan verbindt is dat ik die vraag niet meer mag stellen. Zij ontslaat zichzelf van de plicht om mij te vragen waaróm ik die vraag aan haar stel. Zij gaat ervan uit dat ik dat doe om haar te laten voelen dat ik haar maar ten dele accepteer als Medelander. Maar dat is helemaal niet het geval. Zij vergist zich. Dat ik die vraag stel, is omdat ik haar de ruimte wil bieden om iets te laten zien van de complexiteit van haar identiteit. Want al verschillen onze verhalen, ik heb daar ook weet van. Om een aantal redenen. Eén daarvan is dat ik opgegroeid ben met ouders die geen van beiden hun wortels in Nederland hebben liggen. En die er geen van beiden ooit in geslaagd zijn zich hier thuis te gaan voelen.

 

Om precies te zijn: ik stelde mijn vraag niet om afstand scheppen, integendeel, ik zocht naar herkenning en zielsverwantschap.

 

Het resultaat is dat zij en ik elkaar over en weer het gevoel geven elkaar af te wijzen. En dat terwijl wij beiden op zoek zijn naar verbinding. U zult het met mij eens kunnen zijn dat dat op z’n zachts gezegd wrang is.

 

Het verbaasde mij dat ik er dus een paar dagen voor nodig had om dat helder te kunnen zien. En dat ik het ging zien kwam onder meer door dat al genoemde verslag van die Bezinningsbijeenkomst. Daarin ging het over identiteit.

 

Identiteit is een lastig te definiëren begrip. Maar het heeft te maken met de manier waarop je naar de werkelijkheid kijkt, hoe je deze beleeft en interpreteert. Met mensen die op dezelfde manier als jij kijken, déél je een identiteit. Dat is comfortabel, zo niet onontbeerlijk.

 

Ik las dat Feikema benadrukte dat identiteit, als het goed is, vloeibaar is. Dat wil zeggen dat zij zich voegt naar de situatie waarin er een beroep op haar wordt gedaan. Dát deed mij beseffen dat wat er mis ging in dat fictieve gesprek tussen Nazmiye Oral en mij met identiteit te maken heeft. Zij hóórt iets in mijn woorden wat klopt met hoe zij in het leven staat. Maar omdat ik anders in het leven sta dan zij, geef ik aan wat ik zeg een heel andere lading en betekenis mee.

 

Als onze respectievelijke identiteiten voldoende vloeibaar zouden zijn geweest, zouden wij ons dat veel eerder hebben gerealiseerd. Dan zou ons gesprek dáárover hebben kunnen gaan, over het verschil tussen de door ons in eerste instantie gehanteerde referentie- en interpretatiekaders: zij hoort iets dat bevestigt wat zij al vermoedde, namelijk dat ik afstand wil houden. En dat terwijl ik iets zeg vanuit een diep verlangen een brug te slaan.

 

Wat had het ons allebei vooruit kunnen helpen als we de tegenwoordigheid van geest hadden gehad om dáárover in gesprek te gaan!

 

We lazen twee korte fragmenten uit het evangelie naar Mattheus. Mijn vermoeden is dat zij gaan over precies datgene waarover we het hebben. Een referentie- of interpretatiekader, zeker als dat gedeeld wordt met en bevestigd wordt door de mensen om ons heen, leidt dat er gemakkelijk toe dat er ruimte ontstaat voor zoiets als een oordeel. Maar wat ik u zo-even schetste illustreert dat een dergelijk oordeel er blind voor is dat de werkelijkheid wel eens veel veelkleuriger en genuanceerder kan blijken te zijn dan wij in eerste instantie denken dat zij is. Wij kiezen een perspectief, een van de vele mogelijke perspectieven. En met het innemen van dat perspectief doen wij de werkelijkheid per definitie schromelijk tekort .

 

Daarom: ‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. 2Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.

 

Wellicht ten overvloede: deze regels bieden niet zozeer een ethische handreiking. Het is geen moraal, het is niet in de eerste plaats een gedragscode die ons wordt aangereikt. Wat deze woorden beogen is ons uit te nodigen ons te gaan verwonderen over het oneindig bont geschakeerde palet aan manieren om het leven te ervaren. En, in het verlengde daarvan, om te gaan ervaren dat wij misschien van elkaar líjken te verschillen maar dat wij, als het erop aankomt, op een diep niveau letterlijk wézenlijk met elkaar verbonden en verweven zijn.

 

Ik las bovendien nog een tweede fragment uit datzelfde evangelie naar Lucas: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. 38Dat is het grootste en eerste gebod. 39Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf’.

De reden dat ik dat deed, was eigenlijk vooral om mijzelf een hart onder de riem te steken.

 

Want achteraf vermoed ik dat ik een paar dagen nodig had voordat de structuur van mijn ‘ontmoeting’ met Nazmiye Oral duidelijk werd ermee te maken had dat ik te zeer bereid was om, laat ik zeggen, te capituleren voor háár perspectief. Zij brengt haar verhaal heel overtuigend en omdat ik er het een en ander van herken, ga ik met haar mee. Maar ik verloor mijzelf uit het oog. Eigenlijk werd alles duidelijk op het moment waarop ik mijzelf hervond. En dus in kon brengen. Daarom dat regeltje: ‘heb uw naaste lief als uzelf’, als ‘uzelf’ dus. In een goed gesprek komt het erop aan dat ik ook geleerd heb mijzelf serieus te nemen. Om dat te kunnen moet ik van mijzelf kunnen houden, toch?

 

Op straat, in de krant en in de politiek, overal gaat het almaar over identiteit. Identiteit wordt dan dikwijls gekoppeld aan etnische of religieuze groeperingen. Zij hebben allemaal een eigen identiteit, een eigen manier om te wereld te beschouwen en te begrijpen. In het maatschappelijk debat lijken sommige delen van onze bevolking daar meer recht op te hebben dan andere. Maar ik ga, ter afsluiting, een heel ander geluid laten horen. Vanaf deze plaats en met dit boek voor mij opengeslagen moet misschien gezegd worden dat identiteit niet alleen vloeibaar kan zijn, zoals Feikema vertelde, maar dat zij bovendien kan verdampen. Dat gebeurt (ik ben daar heilig(!) van overtuigd) op het moment dat wij elkaar werkelijk gaan verstaan in onze diepste bedoelingen, in onze eigenlijke pijn, in ons uiteindelijke verlangen. Wie het vertrouwen vindt om dáármee voor de draad te komen, wie de moed heeft zichzelf uit te spreken, die zal ervaren dat grenzen vervagen, zozeer dat zij op enig moment zullen zijn opgeheven.

 

Een oordeel of een mening wordt niet zelden gevormd omwille van wat wij als lijfsbehoud ervaren. Zolang dat speelt, houden wij elkaar gegijzeld en ontzeggen wij elkaar de wondere ervaring van het ten diepste onvoorwaardelijk bij elkaar horen.

 

Dat is een ervaring waarin alles wat voor de hand ligt wordt overstegen en die ons binnenleidt in een Koninkrijk waarvan wij uit onze verlangende dromen de contouren al zo goed kennen.

Amen

 

–          stilte

 

–          orgel- of piano-improvisatie

 

–          zingen                                      NLB 119A: 1, 2 en 3

 

–          gebed Psalm 139 in de vertaling van Huub Oosterhuis zoals gezongen door zijn

dochter Trijntje

Refrein: Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

 

Ik zou een woord willen spreken

Dat waar en van mij is

Dat draagt wie ik ben,

dat het houdt,

Ik zou een woord willen spreken

Dat rechtop staat als mens die mij aankijkt en zegt

Ik ben jouw zuiverste zelf,

Vrees niet, versta mij, ik ben, ik ben

 

Refr.

Refrein: Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

 

Ben jij de enige voor wiens ogen

Niet is verborgen van mijn naaktheid

Kan jij het hebben,

Als niemand anders,

Dat ik geen licht geef, niet warm ben,

Dat ik niet mooi ben, niet veel

Dat geen bron ontspringt

in mijn diepte

Dat ik alleen dit gezicht heb,

geen ander.

Ben ik door jou, zonder schaamte,

gezien, genomen,

door niemand minder?

Zou dat niet veel teveel waar zijn?

Zou dat niet veel teveel waar zijn?

 

Refr.

Refrein: Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet jij mij beter dan ik?

Ken je mij? Wie ben ik dan?

Weet jij mij beter dan ik?

 

–          zingen                                      BB 63: 3

 

–          zegen

De Heer zegene u en hij behoede u,

de Heer doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.

De Heer verheffe zijn aangezicht over u

en geve u vrede.