Bijbellezing                                  Mattheus 20: 29 – 34

Mattheus 20: 29 Toen ze uit Jericho vertrokken, volgde hem een grote menigte. 30 Er zaten daar twee blinden langs de weg die, toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 31 Men snauwde hun toe dat ze hun mond moesten houden. Maar ze riepen nog harder: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 32 Jezus bleef staan, hij riep hen en vroeg: ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ 33 Ze antwoordden: ‘Heer, open onze ogen!’ 34 Jezus kreeg medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden ze weer zien en ze volgden hem.

 

Lied                                               NLB 657: 1 en 4

 

Preek

U moet het me maar niet kwalijk nemen dat wat mij de afgelopen maanden is overkomen zal doorklinken in deze preek. Niet alleen omdat het zo heftig of intensief was maar ook omdat het nog steeds mijn dagen beheerst. Het kost mij moeite me op iets anders te richten, laat staan me op iets anders te concentreren. Ik put meer dan u gewend bent, en waarschijnlijk ook meer dan betamelijk is, uit de kleine wereld waarin ik op dit moment nog leef.

 

Toch ligt de aanleiding voor de tekstkeuze van vanmorgen elders. Nog niet zo heel lang geleden heb ik ook eens over dit verhaal gepreekt. Blijkbaar zit het me dicht op de huid. Maar dat ik nu met u gelezen heb van de genezing van deze blinde mannen heeft ermee te maken dat iemand uit mijn omgeving het een aantal weken geleden tijd vond worden dat ik weer eens onder de mensen kwam. Zij bleek een kaart voor mij voor een lezing in het Nationaal Archief in Den Haag te zijn gekocht. Op dit moment is er in het Nationaal Archief een tentoonstelling te zien van de belangrijkste documenten uit onze Nederlandse geschiedenis. Zo is er de oorspronkelijk Acte van losmaking te zien, en het document waarop de ruil met Engeland (waarbij wij New York afstonden en Suriname ervoor terugkregen) bezegeld wordt, maar ook de ondertekende acte van de abdicatie van Koningin Beatrix. Waar het mij vanmorgen om gaat, is het papier waarop de regeling staat die gold bij de afschaffing van de slavernij in het midden van de 19-de eeuw. Ik noem even geen jaartal omdat de slavernij in de Oost niet in hetzelfde jaar is afgeschaft als in de West. Onze slavernijgeschiedenis is niet op één aanwijsbaar moment afgesloten. Het is in beide toenmalige koloniën een complex en langdurig proces geweest.

 

Bij enkele van die documenten is een klein symposium georganiseerd en ik werd meegenomen naar een middag over de afschaffing van de slavernij. In feite ging het over de, wat genoemd wordt, de ‘dekolonisatie van onze cultuur’. En anders dan u wellicht zult denken, althans anders dan ik dacht voordat ik dat symposium bezocht, is die dekolonisatie niet iets dat zich voltrok meteen na de formele afschaffing van de slavernij. Voor ermee begonnen kon worden was er een volle eeuw van bewustwordingsprocessen nodig, zowel van de witten mensen maar misschien wel met name van de zwarte- of gekleurde bevolkingsgroepen. De dekolonisatie waarover het op dat symposium ging, staat daarom pas in de kinderschoenen.

 

Nu ben wel een beetje benieuwd wat er op dit moment aan gedachten en gevoelens in u opkomt? Het is heel wel denkbaar dat u de neiging krijgt om af te haken omdat dit onderwerp u al te nadrukkelijk en in uw beleving misschien zelfs als een aanval op onze westerse samenleving wordt opgedrongen? Dat afhaken is dan in zekere zin voorstelbaar. Maar ik wil u vragen om toch nog even te blijven luisteren. Ik heb het verhaal van die middag in elk geval boeiend en leerzaam gevonden. En ik vermoed dat er een rechtstreekse verbinding is met het verhaal van de genezing van de blinde man.

 

Misschien is het goed als ik begin met te zeggen wat er onder dat begrip ‘dekolonisatie’ wordt verstaan. Met die in onze tijd aan de orde zijnde dekolonisatie wordt een proces mee aangeduid waarin de witte mensen leren afzien van hun besef van superioriteit. Dat besef was in de koloniale tijd een volstrekte vanzelfsprekendheid. Maar de tijd is gekomen om ons van deze vanzelfsprekendheid bewust te worden en om haar aan de kaak te stellen. Want, zo werd die middag werd overtuigend geïllustreerd, we hebben wat dat betreft nog een lange weg te gaan. Nog steeds acht de witte cultuur zichzelf van een hogere orde en vindt het witte ras het vanzelfsprekend dat het op velerlei terrein de toon zet. En niet alleen hier in van oorsprong witte landen maar eigenlijk overal in de wereld.

 

Het doel van de dekolonisatie is dat daaraan een einde komt en dat met name de witte mensen gaan beseffen dat wij deze planeet met z’n allen delen, op voet van een volstrekte gelijkwaardigheid.

 

Alle sprekers op dat symposium waar ik verzeilde waren zwart. Zij vertelden aan de hand van grote en kleine voorbeelden hoe zij ook in onze huidige samenleving vaak heel subtiel opzij worden gezet en gediscrimineerd. Ik moet bekennen dat ik meer en meer geboeid raakte en dat ik onder de indruk kwam van hun verhalen. Ik zal daar verder niet over uitweiden maar één voorbeeld wil ik u niet onthouden omdat ik me er in zekere zin door betrapt voelde. Zó had ik er nooit naar gekeken ..

 

Een welbespraakte zwarte Surinaamse mevrouw vroeg aan ons of wij het programma ‘Ik vertrek’ kenden. Dat was bij de meesten het geval. Het is een televisieprogramma waarin over het algemeen heel gewone Nederlanders gevolgd worden als zij naar één of ander buitenland vertrekken om daar meestal zoiets als een bed & breakfast te beginnen.

 

Vervolgens maakte zij heel overtuigend duidelijk dat dat een voor zwarte mensen kwetsend format is. Zij noemde twee dingen. In de eerste plaats dat het percentage witte mensen dat in het programma figureert onevenredig hoog is. En daarnaast refereerde zij aan een onderzoek waarin gekeken is naar het verschil in de taal die gebruikt wordt als witte mensen naar het buitenland gaan om daar een nieuw leven te beginnen en als zwarte mensen datzelfde, of in elk geval iets heel vergelijkbaars doen. Ik moet het in het bestek van deze dienst kort houden maar duidelijk was dat als witte mensen naar het buitenland vertrekken, op zoek naar een beter leven, zij over het algemeen veel waardering oogsten. Dat is ook de toon in het programma. Hun vertrek wordt gezien als een uiting van een gevoel van vrijheid. Zij verbreden hun horizon. Hun vertrek wordt als moedig gekwalificeerd en hun wordt originaliteit in de schoenen geschoven. Zij máken tenminste iets van hun leven!

 

Maar als zwarte mensen vertrekken om elders een ander en beter leven op te bouwen, dan worden zij misprijzend als avonturiers of, erger, als gelukzoekers weggezet. Hun wordt niet zelden ontrouw aan hun sociale structuren verweten. Zij laten hun eigen economie in de steek. Zwarte mensen moeten blijven zitten waar ze zitten en zich bij voorkeur niet verroeren. Het zijn, zo wordt dat althans door veel zwarte mensen ervaren, de witte mensen die zich vrij over de wereld mogen bewegen en die bepalen welke bewegingsruimte een zwart iemand wordt gegund.

 

Toen ik dit allemaal hoorde, schrok ik. Want ik dacht het wel te herkennen, ook in de manier waarop ik mijzelf definieer en positioneer. In zekere zin vielen de schellen mij van de ogen door dit doorkijkje in voor mij tot dan toe niet tot mijn actieve bewustzijn doorgedrongen structuren in de samenleving.

 

Een ander, heel vergelijkbaar voorbeeld zag ik alweer even geleden in een documentaire over de zwarte Amerikaanse schrijver en Nobelprijswinnaar James Baldwin. Het was, geloof ik, een fragment in een uitzending van het programma Zomergasten van vorig jaar. Ook weer een voorbeeld dat de vanzelfsprekendheid van de witte superioriteit benadrukt. Baldwin liet zich ontvallen dat hij op enig moment de overigens dit jaar overleden actrice Doris Day als de vertegenwoordiging van het kwaad was gaan zien. Ook die uitspraak deed mij schrikken: wat was dit nu? Die lieve, altijd vrolijke Doris Day waar ik als kind zo graag naar keek? Ik schoof naar het puntje van mijn stoel.

 

Baldwin liet aan de hand van een aantal kenmerkende filmfragmenten zien hoe alle films van Doris Day zich afspelen in de welvarende witte buitenwijken van Amerika. De zwarte mensen, die er natuurlijk toen ook waren, zijn weggefilterd. In die films wordt een ideaalbeeld gepresenteerd van een geoliede, blije witte samenleving met enkel kleine, huiselijke probleempjes. De grote problemen (als apartheid, armoede en werkeloosheid) waar de zwarte bevolkingsgroepen in die jaren mee worstelden, lijken niet te bestaan. Nee, sterker nog, die zwarte mensen bestaan helemaal niet. Zij spelen geen enkele rol in het witte suburban bewustzijn. Baldwin vertelde dat hij, toen hij dat begon te zien, zich er diep door gekwetst voelde. Zo is Doris Day voor hem het symbool geworden van een pijnlijk diepe vorm van rassendiscriminatie.

 

Twee voorbeelden van hoe een lezing, een film, een documentaire of iemand die je toevallig tegen het lijf loopt je ogen kunnen openen. Dat waar je tot dan toe blind voor was wordt opeens evident en glashelder. Je gaat de werkelijkheid zien zoals zij werkelijk is. De gordijnen worden als het ware opengetrokken en een nieuw landschap openbaart zich.

 

Als ik dat zo zeg, zou het kunnen klinken alsof dat pure winst is. Maar dat is het niet. Althans, váák niet. Daarom is de vraag van de beide blinde mannen uit het verhaal dat we lazen (dat ze graag weer zouden willen zien) ook lastig te plaatsen. Misschien dat Mattheus het diepste menselijke verlangen wil verwoorden, het verlangen dat opkomt als we de angst voorbij zijn en onze onbevangenheid hebben hervonden. Want over het algemeen genomen is het blind zijn voor bepaalde facetten van het met elkaar samenleven ons nogal behulpzaam. Door onze ogen te sluiten voor van alles en nog gaan we ongewenste confrontaties uit de weg. Zo bewaren wij zowel ons innerlijk evenwicht als het evenwicht in de samenleving.

 

Ik wil dit graag illustreren met een recente, persoonlijke ervaring. Want in de afgelopen paar maanden heb ik ervaren hoe pijnlijk het kan zijn als het je niet langer gegund wordt om bepaalde dingen niet te zien.

 

Na de dood van Marcel wist ik mijzelf kwetsbaarder dan ooit tevoren. En in die kwetsbaarheid werd mij duidelijk dat veel dingen anders in elkaar zitten dan ik altijd had gedacht. Zo ben ik mij, om maar wat te noemen, gaan afvragen of wij ons wel voldoende hebben gerealiseerd hoe goed we het hadden. Om eerlijk te zijn: ik denk nu dat we daar heel gemakkelijk aan voorbij leefden. We beschouwden ons geluk als min of meer normaal. Verwend als we waren vonden we het bijna vanzelfsprekend dat het ging zoals het ging. Dat ben ik pas na zijn dood gaan zien.

 

In mijn werk heb ik veel met rouwenden te maken gehad. Niet zelden heb ik mij verbaasd over de heftigheid en de hardnekkigheid van bepaalde vormen van verdriet. Om eerlijk te zijn, ik dacht wel eens dat een beetje zelfbeheersing en zelfdiscipline geen kwaad zouden kunnen. Ook wat dat betreft zijn mij toch de schellen van de ogen gevallen. Blijkbaar beschermde ik mijzelf tegen de kwetsbaarheid van de rouwenden die mijn pad kruisten. Tegen, om maar iets te noemen, hun zo schrijnende besef dat het afscheid voor altijd zal zijn. Ik hield de impact daarvan graag op afstand. En daarom had ik wat dat betekent nooit eerder tot mij door laten dringen. Een dergelijk besef doet pijn, het is niet anders. Wat ongezegd gebleven is, zal altijd ongezegd blijven. En wat krom was kan nooit meer rechtgebreeën worden. Echt nooit meer.

 

Dat ik dat vertel is niet omdat ik u graag deelgenoot maak van mijn rouw maar omdat ik er intussen van overtuigd ben geraakt dat dergelijke ervaringen universeel zijn. Ik hoor nu dat er een uitnodiging van uitgaat om veel bewuster te leven en om met veel meer eerbied met mijzelf en met de mensen om mij heen om te gaan. Om, met andere woorden, met ‘open ogen’ de wereld tegemoet te treden.

 

Die uitnodiging, dat besef, diende zich aan op het moment dat mijn weerstand gebroken was. En ook dat is, geloof ik, universeel. Die alles behalve welkome kwetsbaarheid (ik had er letterlijk alles voor over gehad als zij mijn deur voorbij zou zijn gegaan), biedt, wanneer dus de façade is ingestort en oude verdedigingsmechanismen niet meer werken, óók zicht op een volstrekt nieuwe wereld waarin lotsverbondenheid met wie ook kwetsbaar is de toon zet.

 

Waarschijnlijk daarom bleek ik zo gevoelig voor de pijn die verwoord werd door de verschillende zwarte mensen op dat symposium waarover ik vertelde. Mijn kwetsbaarheid van dat moment verbond zich eenvoudig met de hunne. Op dat breekbare moment in mijn leven kon ik mij eenvoudig met hen vereenzelvigen.

 

Maar nu nog, en dat dan tot slot, de vraag wat dit alles wil zeggen in het licht van ons geloven? In aanmerking nemend dat mijn voorbeelden misschien willekeurig en arbitrair zijn, kunnen we, denk ik, toch zeggen dat zij ertoe aanzetten om te gaan zien wat er óók te zien is. En om onszelf wat dat betreft niet langer in slaap te sussen met het veilige en geruststellende beeld dat wij koesteren van de wereld om ons heen. Het hoeft geen betoog dat dat proces waarin zich een, om met Al Gore te spreken, ‘inconvenient thruth’ aandient vooral pijnlijk is. Maar het is, en dat moet ook worden gezegd, tegelijkertijd ook bevrijdend.

 

Middenin die bevrijdende pijn openbaart zich dus een weg naar een bestaan waarin die hele wonderlijke wereld waarin wij leven op een volkomen ongedachte manier tot zijn recht zal komen. Aanvankelijk is wat ons wordt geopenbaard pijnlijk en oogverblindend, dat zeker, maar als onze ogen aan het licht gewend zijn krijgen zij zicht op iets dat de geleden pijn misschien zelfs rechtvaardigt. Want wat blijft is verbondenheid, dankbaarheid en verwondering.

Amen