voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Gerard Zwart

liturgie

liturgie
welkom, mededelingen etc.
aansteken van de kaars
zingen                                                              NLB 207: 1, 2 en 4
inleiding op de dienst
muziek                                                     Dank sei dir Herr van Siegfried Ochs, gezongen
door Aafje Heynis
lezing uit de Bijbel
zingen                                                              BB 63
overweging
stilte
orgel- of piano-improvisatie
gebed, stil gebed en Onze Vader
zingen                                                              NLB 985: 1, 2, 3, 4 en 6
zegen

schriftlezing

Lucas 4: 15Hij gaf onderricht in de synagogen en werd door allen geprezen. 16Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, 17werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd, en hij rolde hem af tot de plaats waar geschreven staat: 18‘De Geest van de Heer rust op mij,  want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, 19om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’

 Marcus 8: 22Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. 23Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ 24Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ 25Daarna legde hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder.

overweging

Dat verhaal van de genezing van een blinde man is een van de eerste zogenaamde wonderverhalen uit het evangelie van Marcus. Vanmorgen wil ik het aan de hand van een wonderverhaal, en ik koos tamelijk willekeurig dít verhaal uit, met u hebben over de vraag hoe wij zo’n verhaal vandaag de dag lezen én hoe wij er invulling aan kunnen geven in onze levens. De reden hiervoor is dat ik van de zomer me wat heb verdiept in het werk van de Franse mystica Simone Weil over wier werk ik hier het komend seizoen een groep zal leiden. Zo meteen meer over haar. Eerst iets over die wonderverhalen.

Ik veronderstel dat u, toen u jonger was, deze verhalen anders las dan u dat nu doet. Althans voor de meesten van ons is het zo dat wij die verhalen vroeger lazen als, als ik het een beetje flauw mag zeggen, het verslag van een medisch wonder. Degene over wie het verhaal vertelt lijdt aan een akelige kwaal (blindheid, melaatsheid, verlamming, doofheid en noem maar op) en Jezus weet hem (of haar) daarvan te genezen. De indruk was dat hij een soort wonderdokter was die over bovennatuurlijke krachten beschikt. Dat is wat hem zo bijzonder maakte. Uniek zelfs. De krachten waarover hij beschikt bewijzen dat hij de zoon van God is en zijn dus de reden dat wij in hem moeten geloven.

Ik vat het misschien een beetje onhandig samen en misschien verwoord ik niet voldoende precies hoe u het bij u is gegaan maar ik hoop dat u een beetje begrijpt en herkent wat ik bedoel.

De voorbije decennia bleek deze manier van met deze verhalen omgaan niet langer te werken. Veel mensen kregen er weerstand tegen. Deze uitleg had voor hen iets onwaarachtigs. Het zou mij zelfs niet verbazen als van degenen die de kerk hun rug hebben toegekeerd, een aanzienlijk percentage dat deed omdat het niet langer opgezadeld wilde worden met die merkwaardige en onbegrijpelijke verhalen.

Langzaam maar zeker is er een andere manier van lezen en omgaan met deze verhalen in zwang gekomen. Veel mooier, vind ik, want hij is veel geheimenisvoller. Het zijn niet langer, zoals Nico ter Linden dat met lichte spot noemde, ‘bewaard gebleven berichtjes uit de Jeruzalemse Courant’ maar het zijn verhalen die op een verborgen manier iets zeggen over ons, over hoe wij in het leven staan. De stelligheid van het geloven van vroeger is ingeruild voor een manier van denken waarin veel meer ruimte is voor gevoelens van verwondering en ontroering en voor de vragen die, bij voorbeeld, deze gelijkenissen (want dat zijn het) oproepen.

Heel in het kort zal ik iets zeggen over hoe wij deze genezingsverhalen tegenwoordig veelal gelezen worden – inderdaad heel kort want daarna gaan we, zoals ik al aankondigde, naar Simone Weil.

Toen ik in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw theologie studeerde, was dat in de overgang van het letterlijk lezen naar het meer symbolisch lezen. Als voorbeeld noem ik Genesis 1. Dat was niet langer een beschrijving van hoe de wereld ontstaan zou zijn maar veeleer een poëtisch getoonzette tekst die uiting geeft aan de verwondering om de schoonheid en de samenhang van de schepping. Onze wereld is geen chaos, kijk maar hoe licht en donker én water en land van elkaar gescheiden zijn! En hoe mooi de vogels, de vissen, de dieren, de planten en, last but not least, de mensen geschapen zijn! Wij hebben vaste grond onder onze voeten gekregen zodat wij kunnen leven, liefhebben en werken!

Op een vergelijkbare manier veranderde de manier waarop de wonderverhalen, zoals dat van de genezing van de blinde man, gelezen werden. Eigenlijk zouden in groepjes van twee of drie in een zorgvuldig gevoerd gesprek moeten onderzoeken waar dat verhaal ons aan doet denken en wat het in ons oproept of losmaakt. Maar daarvoor ontbreekt de tijd. Ik geef een heel globale voorzet die niet meer pretendeert te zijn dan dat.

Het kan zijn dat een bepaalde ontwikkeling zoveel angst inboezemt dat je maar liever wegkijkt. Ik hoor geregeld van mensen dat ze zich zo bezorgd maken over de ontwikkelingen in de wereld dat ze niet langer naar het Journaal kijken. De werkelijkheid is zo schril en schrijnend dat zij hun ogen ervoor sluiten. Wat ze zien maakt bang dus kiezen ze ervoor om maar niets te zien. Hun blindheid wordt ingegeven door angst. Maar diezelfde angst leidt ertoe dat zij ook de schoonheid niet meer zien. En dat ze geen oog meer hebben voor de harmonie, de liefde en de trouw die er óók is. Het zou kunnen zijn dat Jezus ons dan in godsnaam het vertrouwen teruggeeft om toch te kijken naar wat de wereld en het leven voor ons in petto hebben – omdat het alles van God komt en omdat hij er met zijn trouw en liefde bíj is en niet zal laten varen wat zijn hand begonnen is.

Over doofheid kan iets vergelijkbaars gezegd worden. Hoevelen sluiten ook hun oren niet omdat ze al die veel te harde geluiden die voortdurend op hen inhameren willen uitbannen? Ze weten niet meer wat wel waar is en wat niet en besluiten uiteindelijk dat zij voldoende hebben aan hun eigen, kleine en veilige wereld.

Ook zo’n doofheid is ingegeven door, uiteindelijk, de angst dat God de wereld losgelaten zou hebben. Het gevoel van vroeger dat God voor de wereld zorgt en dat wij in zijn hand zijn, kome wat komt, dat gevoel is verdampt. En wat er voor in de plaats is gekomen is zoiets als een kwetsbare eenzaamheid, aan het aan je lot overgelaten zijn.

Genezing van een dergelijke blindheid of doofheid is dan het weer opnieuw vinden van het vertrouwen, van de levenslust om met open ogen en oren ‘de wereld in te gaan en Gods tekens te verstaan’, zoals een oud lied zingt. Wie nog wel ervaart hoe God zich dag aan dag met ons bezighoudt zal onbevangen om zich heen kijken en zich verwonderen over de vogels in de hemel en de bloemen op het veld.

Van de zomer heb ik een aantal onderwerpen voor de gespreksgroepen van het komende seizoen voorbereid. Eén ervan is dus het leven en werk van de Franse filosofe en mystica Simone Weil. Ze leefde van 1909 tot 1943. Ze wordt veel verward met de veel recentere politica en nog betrekkelijk onlangs overleden Simone Veil maar die naam wordt met een V gespeld.

Simone Weil studeerde filosofie maar werd in de loop van haar studie steeds meer geraakt door wat de godsdienst te bieden heeft. Ze was volkomen areligieus opgevoed maar is uiteindelijk als een bekende mystica gestorven.

In verband met de genezingsverhalen stelde zij zich twee vragen:

In de eerste plaats: wat was het dat Jezus de mensen te bieden had dat zo nadrukkelijk genezend werkte? En in de tweede plaats: wat was daar dan ‘goddelijk’ aan? Wat heeft hij meer dan wij? Waarin schieten wij mensen te kort? En is dat tekort op te heffen? Hoe dan?

Als filosofe had zij geleerd om te buigen voor de wetten van de logica. De hele wereld, de hele natuur is daaraan ondergeschikt. Ook wij zijn dat. Wat wij doen en laten komt voort uit wie wij zijn en uit de omstandigheden waarin wij leven. Dat is overigens een centraal begrip in het denken van Weil: de noodzakelijkheid van wat er gebeurt, ‘Notwendigkeit’ noemt zij dat. Alles wat er gebeurt, gebeurt omdat het gebeuren moet. De wetten van de natuur schrijven dat voor. Het is nu eenmaal niet anders.

Maar uit de verhalen die over Jezus worden verteld blijkt dat de logica kan worden overstegen. Blijkbaar kan een mens worden losgemaakt uit wat zijn lot is. Jezus kon mensen weghelpen uit de intimiderende werkelijkheid die hen hun ogen en oren doet sluiten en hun zo hun vrijheid teruggeven. Wat mogen wij ons daarbij voorstellen? Wat is het dat ons leven in dat volkomen andere licht plaatst?

Wat Weil uiteindelijk ging gaan begrijpen is dat het niet waar is dat er maar één werkelijkheid is. Er is die in onze beleving dominante werkelijkheid van de feiten. Dat is niet zelden een onbarmhartige werkelijkheid. Maar een mens kan zichzelf ook terugvinden in een werkelijkheid die misschien zelfs wel haaks staat op de feiten of de uiterlijke omstandigheden. Hij heeft dan, als het ware, de feiten van zich afgeschud.

De vraag die Weil zich stelde is hoe wij nu toegang kunnen krijgen tot die andere werkelijkheid. Uiteindelijk kwam zij uit bij het begrip ‘aandacht’. Aandacht, werkelijke aandacht, tilt een mens uit boven alles waarin hij gevangen zit, zijn blindheid, zijn doofheid, zijn verlamming en noem maar op. Als iemand het opbrengt werkelijk bij jou stil te staan, werkelijk te luisteren en te zien naar wat jouw beweegt, dan knap je daar van op. Het tilt je boven jezelf uit. Op de spaarzame momenten dat je je werkelijk gezien weet, krijg je, tot je verwondering, deel aan een werkelijkheid die die van alledag overstijgt.

Simone Weil zeg ergens dat ‘aandacht de meest zeldzame en puurste vorm van hartelijkheid en gulheid is’. Daarmee beantwoordt zij in feite haar eerste vraag: een mens kán ontsnappen aan de troosteloosheid van het bestaan op het moment dat hij zich werkelijk gekend weet. Of: gezíen.

Maar welke rol speelt God daarbij? Kan dat niet zonder hem? Met andere woorden: kunnen wij mensen ook andere mensen kennen en zien? Of kan alleen God dat?

Langzaam maar zeker kwam zij tot een antwoord daarop. Het was voor haar een hele ontnuchtering, dat antwoord. Want de conclusie die zij trok was dat wij die aandacht niet of nauwelijks aan elkaar kunnen geven omdat wij altijd behept zijn met een dubbele agenda. Wanneer een mens aandacht schenkt aan een andere mens speelt altijd ergens mee dat hij hoopt aardig te worden gevonden. Wie iets doet voor een ander zal zich er altijd ook ergens van bewust zijn dat hij die ander ook wel eens nodig zou kunnen hebben. Of, en dat is bijna nog cynischer, we zijn vriendelijk tegen iemand omdat dat een efficiente manier is om van hem of haar af te komen.

 

Daarmee wil beslist niet gezegd zijn dat we geen goede bedoelingen hebben maar onverdeeld goed zijn die bedoelingen eigenlijk zelden. Zoals gezegd: wij kampen met dubbele agenda’s die we zelf overigens lang niet altijd goed in beeld hebben.

 

Zo loopt een mens tegen zijn onmacht aan om werkelijke aandacht te schenken aan zijn medemensen. Die onmacht verhindert hem niet zelden om ook daadwerkelijk genezend te zijn en daarmee dus om trouw te zijn aan waar Jesaja het over heeft in het citaat van Lucas: De Geest van de Heer rust op mij,  want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven.

Maar, ontdekt Weil, die onmacht kan worden opgeheven. En dat kan, zo legt zij uit, in de eenwording met God, in de versmelting met hem. In God heft die onmacht zich op. God is onverdeelde aandacht, trouw en liefde. Precies dat is wat ons op onze benen zet. Hij kan ons genezen door wie en wat hij is.

Dat inzicht zette Simone Weil op het spoor van de mystiek. Ik weet niet wat u van de mystieke beweging of traditie weet? Maar waar het op neer komt is dat iemand in de mystiek de mogelijkheid vindt om deel te krijgen aan de goddelijke liefde en trouw. De mystiek is een poging om God van heel nabij te leren kennen, sterker nog, het is een manier om met hem te versmelten. Zo kan zijn liefde niet alleen worden ervaren maar ook worden doorgegeven. Met andere woorden: Simone Weil ontdekte dat alleen de mystiek haar kon helpen om die ellendige dubbele agenda’s achter zich te laten is gehoorzaam te zijn aan wat zij als Gods uitnodiging of zelfs opdracht ervoer, namelijk andere mensen helpen bij de genezing van hun doofheid, hun blindheid of hun verlamming. Zoals zij erover schrijft en spreekt, is Jezus dan ook geen historische gestalte maar geeft hij veeleer gestalte aan een mogelijkheid die in ons allemaal leeft.

Ik laat het voor vanmorgen hierbij. Wellicht komen we er in een ander verband nog wel eens over te spreken. Maar wat ik, al lezende, ben gaan begrijpen, is dat één van de redenen dat Simone Weil opnieuw in de belangstelling is komen te staan, is dat wij, met z’n allen, steeds meer zijn gaan inzien dat God niet zozeer iets of iemand is in de driedimensionale werkelijkheid van de wetenschappers. God is met name een ervaring. Zijn werkelijkheid is een ervaringscategorie. En ín de ervaring van God gaat de mogelijkheid schuil om op een nieuwe, niet vermoedde manier boven zichzelf te stijgen. Wie deel heeft aan de werkelijkheid die wij God noemen vindt de vrijheid om werkelijk aandachtig stil te staan bij de mensen, de dieren en de dingen met wie hij zijn wereld deelt.

Misschien hebt u intussen alweer drie weken geleden ook naar Marleen Stikker in het programma Zomergasten gekeken? Zij onderscheidde twee typen mensen: de mogelijkheidsmens en de realistische mens. Zij zei de indruk te hebben dat Nederlanders vooral realisten zijn. Wij zouden beschikken over een groot en lenig vermogen om ons aan welke omstandigheden dan ook aan te passen. We voegen ons soepel naar hoe de dingen nu eenmaal zijn. Stikker had de indruk dat andere volkeren veel meer denken in termen van hoe de dingen zouden moeten zijn. dat geeft een geest die op verandering gericht is. Mij lijkt dat een simplificatie van de werkelijkheid te zijn, zowel van de Nederlandse als van die van de volkeren om ons heen. Maar dat neemt niet weg dat wij ons voordeel kunnen doen met haar observatie. En dat wij ons verlangen naar hoe het óók zou kunnen ernstiger te nemen. Dat zou ons kunnen helpen om dichter te komen bij waar Simone Weil ons toe uitnodigt: de mens die genezend rondgaat, in Gods naam.

Dat het ons, met Gods hulp, gegeven wordt om de wereld ten goede te veranderen. En dat ook wijzelf als bevrijde mensen het leven zullen omarmen. Dank sei dir Gott.

Amen