De Woudkapel, Bilthoven, gedachtenisdienst,  zondag 1 november 2020

Voorganger: ds Pieter Lootsma
Organist: Jan Siemons
Viool: Noah Helmich

Liturgie

  • Muziek NLB 43, Dan ga ik op tot uw altaren
  • Welkom en mededelingen
  • Inleiding op de dienst

 

Juist in deze tijd waarop veel begrafenissen en crematies in kleine kring gehouden moesten worden is het zo goed dat u vanmorgen hier naartoe gekomen bent. Met elkaar willen wij rechtdoen aan onze doden, door bij hen stil te staan en door hun namen te noemen en daarbij een kaars aan te steken om zo hun nagedachtenis brandend te houden.

Normaal gesproken krijgt u daarna allemaal de gelegenheid om een eigen lichtje aan te steken op de tafel hier voor mij maar vanwege de nu geldende maatregelen is dat niet mogelijk. Daarom is de laatste kaars die we zo meteen aansteken bedoeld voor al diegenen van wie de namen niet expliciet genoemd zijn maar van wie de nagedachtenis mede aan ons is toevertrouwd.

We beginnen vanmorgen met een gebed waarin we uitspreken dat wij vanmorgen uiting willen geven aan onze dankbaarheid voor al die grote en kleine mensen die ons zijn voorgegaan, voor hen die geschiedenis schreven én voor hen die in de schaduw leefden, voor wie ons hebben leren zingen, ons hebben leren kijken naar wat er óók te zien is, voor wie gebeden hebben in de stilte en voor wie luidkeels schreeuwden om gerechtigheid, voor wie met eer zijn gekroond en voor wie werden afgewezen door waar ze bij hoorden.

Wij staan vanmorgen eerbiedig stil bij onze kinderen, partners, ouders, grootouders en dierbare vrienden en bekenden, bij allen die er in onze levens waren en ons de weg wezen en ons vergezelden maar zonder wie wij verder trekken op weg naar wat ons verder nog te wachten staat.

Wij hopen het geheimenis deelachtig te worden waarin onze bestemming besloten ligt, dat ons het besef aangereikt zal worden dat wij ondanks onze pijn en ons verdriet gewild zijn en, letterlijk, bedóeld, zoals dat ook geldt voor degenen die wij vandaag gedenken.

Dat wij daaruit de troost en het vertrouwen putten dat onze verbondenheid met hen onopgeefbaar is omdat zij en wij met elkaar geborgen zijn in een trouwe liefde die ons denken overstijgt, vandaag en morgen en alle dagen die nog zullen komen.

Muziek Jan Siemons voor Noah Helmich, Rondo Cantabile

  • Schriftlezing uit Job 14

 

141Een mens, geboren uit een vrouw – kort zijn zijn dagen, doordrenkt van onrust.
2Als een bloem ontluikt hij en verwelkt,
hij vlucht als een schaduw en houdt geen stand.

7Voor een boom is er altijd hoop:
als hij wordt omgehakt, loopt hij weer uit,
er blijven nieuwe loten komen.
8Al wordt zijn wortel in de aarde oud,
al gaat zijn stronk dood in de grond,
9zodra hij water ruikt, bot hij weer ui
en vormt twijgen uit jonge scheuten.

10Maar een mens sterft en hij ligt terneer.
Hij blaast zijn laatste adem uit – waar is hij dan?
11Hij is als water van de zee dat verdampt,
als beddingen van rivieren die dor worden en droog.
12Een mens gaat liggen en staat niet meer op.
Zolang de hemel zal bestaan, ontwaakt hij niet,
hij wordt niet uit zijn slaap gewekt.

14Als een mens sterft – kan hij dan herleven?
Dan zou ik heel mijn tijd uitdienen,
totdat ik werd afgelost.
15U zou me roepen en ik zou antwoorden,
u zou terugverlangen naar het werk van uw handen.
16U zou al mijn stappen tellen,
en geen acht slaan op mijn zonden.
17U zou mijn wandaad in een buidel weggesloten hebben,
mijn fouten hebben toegedekt.

18Maar een berg stort in en wordt vernietigd,
een rots wordt van zijn plaats gesleurd,
19water slijpt stenen tot stof,
aarde wordt door regens weggespoeld.
Zo doet u de hoop van de mens teniet.
20U overweldigt hem, hij gaat teloor.
21Zijn zonen krijgen aanzien – hij weet het niet,
zijn zonen gaat het slecht – hij merkt het niet.

  • Muziek (orgel en viool) NLB 942 – Ik sta voor U in leegte en gemis

 

  • Overweging

 

In de Noord-Friese gemeente waar ik als predikant begon, werd er altijd op oudejaarsavond stilgestaan bij degenen die in het dan afgelopen jaar waren overleden. Toen ik voor het eerst in die dienst zou voorgaan en aan een vriend vertelde hoe spannend ik dat vond, zei hij dat hij zich dat kon voorstellen. ‘Want’, zei hij, ‘het zal wel de eerste keer zijn dat je een meditatio mortis moet uitspreken’. Ik moest mijn beste Latijnse beentje voor zetten om te begrijpen wat hij bedoelde en toen ik dat tot me door had laten dringen, nam de spanning alleen maar toe. Want wat zou ik over de dood kunnen zeggen? Wat wist ik er van? In een meditatio mortis wordt je verondersteld iets over de dood in het algemeen te zeggen en dus niet stil te staan bij de dood van iemand in het bijzonder. Wat had ik wat dat betreft te bieden? Ik had weinig ervaring met de dood.

De laatste paar weken drong deze herinnering zich op. Intussen ben ikzelf een dagje ouder geworden en in ander vaarwater beland maar nog altijd roept de dood gevoelens van verlegenheid op. De dood heeft zo eindeloos veel gezichten. De dood van een geliefde of dierbare wordt heel verschillend ervaren. Zoals ook het terugdenken aan degenen die er niet meer zijn, heel verschillende seizoenen kent. Het gaat van verwondering die doet denken aan een voorjaar waarin de natuur op de meest onverwachte manieren en momenten ontluikt. En dan via de beklemmende en verlammende warmte van de zomer naar de eenzaamheid van de mistige stormen in de herfst en uiteindelijk de gevoelloze, ijzige koude in de winter.

Mijn preken uit de eerste jaren van mijn predikant-zijn heb ik niet meer maar ik houd m’n hart vast voor wat ik toen gezegd heb. Eigenlijk is mijn conclusie dat ik sindsdien vooral veel heb moeten afleren. Wat ik dacht te weten blijkt intussen toch echt net anders te zijn.

Maar van de dood weet ik nog steeds niets. De dood speelt zich af aan de andere kant van mijn horizon. Maar wel weet ik intussen iets van wat de dood van een geliefde doet met degenen die achterblijven. In de loop van de jaren heb ik daar met talloze mensen over gesproken. En ikzelf heb er intussen ook wat ervaringen bij gekregen. Zo heb ik geleerd het niet meer over verdriet te hebben, eigenlijk omdat dat woord zo weinig zegt. Lang dacht ik dat verdriet een bepaalde emotie is die langzaam maar zeker slijt totdat hij op een dag verdwenen blijkt. Maar ik ben er achter gekomen dat verdriet een containerbegrip is. Het zegt niet zoveel als iemand verdriet blijkt te hebben, althans het kan zoveel heel uiteenlopende dingen betekenen. Gemis, misschien wel vooral gemis. Maar ook leegte, en dan bedoel ik een gebrek aan gevoel of emoties. Doelloosheid en richtingloosheid. Soms speelt opluchting en bevrijding een rol. En niet zelden wordt verdriet gekleurd door gevoelens van spijt en schuld: ‘had ik maar ..’ of ‘als ik toen .. dan was er misschien ..’ of  juist ‘als ik toen niet .. dan ..’. Het kost tijd om door te laten dringen dat iemand er écht niet meer is en dat dat onomkeerbaar is. Oude herinneringen kunnen niet meer worden gedeeld en wat er nu gebeurt zal nooit meer een gedeelde herinnering worden. Zo vermoed ik dat velen er last van hebben dat hun dode geen weet heeft van de slepende gebeurtenissen van het afgelopen halfjaar. Het besef de ervaring daarvan niet meer te kunnen delen is een bittere confrontatie met de kloof tussen jou en jouw dode.

Van de week bezocht ik de tentoonstelling Momentum in Museum Voorlinden in Wassenaar. Op die tentoonstelling is werk te zien van een heel aantal verschillende kunstenaars die allemaal hebben gezocht, ik citeer nu de catalogus, ‘naar een manier om uitdrukking te geven aan dat éne moment waarop alles in een stroomversnelling raakt, naar het kantelpunt dat een verschuiving veroorzaakt. Of het moment waarop dat ene bepalende inzicht binnenvalt.’

Wat ik in de dagen erna almaar vóór me bleef zien, is een installatie van de Mexicaanse kunstenaar Jose Davila die hij de naam ‘Joint effort’ meegaf. De installatie bestaat uit een kei waarop een grote glasplaat staat. Om te voorkomen dat deze te pletter valt heeft de kunstenaar er een spanband omheen gedaan die een einde verderop vastzit aan een tweede kei. Het geheel vormt een zo precair evenwicht dat je er als toeschouwer nauwelijks bij in de buurt durft te komen. Je houdt je hart vast iets in het evenwicht te zullen verstoren waardoor de glasplaat te pletter zal vallen. In de catalogus staat ook dat de kunstenaar ‘geïnteresseerd is in het moment vlak voordat iets valt of breekt’.

Ernaar kijkend deed het mij denken aan een leven dat op instorten staat maar nog net gered wordt door… ja, door wat eigenlijk? Wat is de spanband waar wij een beroep op kunnen doen als de hele boel inderdaad in scherven uiteen dreigt te vallen? Diezelfde vraag roepen, in elk geval bij mij, de regels die we uit het boek Job lazen op. Job constateert hoe kaal het bestaan uiteindelijk is. En hoe verdraaid weinig houvast de mens geboden wordt. Op enig moment in de tekst flakkert de hoop op. Job laat zich verleiden door een vermoeden van een perspectief over tastbare grenzen heen. Maar hij weet het niet vast te houden. Het verdampt zoals het water in de rivieren verdampt en de stille naaktheid van het bestaan dient zich weer aan. Van een spanband zoals bij het werk van Jose Davila lijkt nauwelijks sprake.

En toch. Toch gaat er op een wonderlijke manier troost van deze regels uit. En als ik onder woorden zou moeten brengen waar ‘m dat in zit, dan zou ik zeggen dat ik Job zie dansen op een heel smal koord. Knap balancerend weet hij het midden te houden tussen aan de ene kant een bijna cynische gelatenheid en aan de andere kant een latent vertrouwen dat hij niet helemaal aan de grillen van het lot is overgelaten. Hij speelt met de gedachte aan een geborgenheid die zijn schamperheid in een ander licht plaatst. Aan de ene kant ligt een passieve onverschilligheid op de loer: wat het leven te bieden heeft, stelt niet zoveel voor, veel minder althans dan je zou willen. Maar vlak daarnaast ligt er zoiets als acceptatie er op te wachten omarmd te worden. Job vermoedt dat één en ander juist in die acceptatie betekenis krijgt. Het is alsof Job zijn lezers uitnodigt om grenzeloos nuchter en, letterlijk, eenvoudig te zijn. Omdat zich in die eenvoud een de onvermoede schoonheid van een uiteindelijke samenhang aandient.

De dagen rijgen zich aaneen en de mens ondergaat ze als een onontkoombaar komen en gaan. Meer is er niet, alleen die dagen, iedere dag weer een nieuwe, al verschilt hij in niets van de dagen die eraan voorafgingen of die erop zullen volgen.

Tussen aan de ene kant de stille onverschilligheid, de neiging om je terug te trekken en de gordijnen te sluiten en aan de andere kant de dankbare aanvaarding dat dít nu eenmaal het leven is dat jou is toebedeeld, daar tussenin ligt een weg waarop wij verder kunnen. Stap voor stap. In ‘a joint effort’, in samenhang met wie ons vergezellen. Gestalte gevend aan wat er van ons gevraagd wordt. In het uiteindelijke besef dat het evenwicht dan wel wankel is maar dat we op de één of andere manier bij elkaar gehouden worden. En dus niet uiteen zullen vallen.

Amen

  • Muziek (vioolsolo) Jules Massenet (1842-1912), Thaïs Méditation (1896)
  • Wij noemen u de namen van hen die gestorven zijn ..
  • Stilte
  • Gebed – stil gebed – Onze Vader -zitten-

 

Wij bidden dat wij trouw zijn aan elkaar,
dat de matheid ons niet overvalt,
de onverschilligheid ons niet grijpt,
dat wij groeien in vastberadenheid en levensdurf.

Wij bidden voor hen
voor wie het missen van een dierbare
ondraaglijk is en blijft.

Maar ook voor wie met angst in het hart
wachten op het moment dat ze
hun dierbaren zullen moeten missen;
dat wij niet te bang zijn om met hen af te dalen.

  • Muziek over Lied 90 O God, die droeg ons voorgeslacht

 

  • Zegen             -staan-