De Woudkapel                    zondag 5 november 2017 Gedachtenisdienst (Allerheiligen)

voorganger:             ds Pieter Lootsma

organist / pianist:    Gerard Zwart

dans:                         Paula Walta

 

liturgie

welkom, stilte, kaars etc.

zingen                                   NLB 213: 1, 2 en 5                         -staande gezongen-

inleidende tekst

Vandaag staan wij stil bij degenen die in de loop van het voorbije jaar zijn overleden. Dat wij dat vandaag doen is niet toevallig. Op 1 en 2 november viert de kerk respectievelijk Allerheiligen en Allerzielen. Op Allerheiligen worden de ‘heiligen die ons zijn voorgegaan’ herdacht en op Allerzielen alle andere overledenen. De reformatie heeft gebroken met het onderscheid tussen heiligen en de zogenaamde ‘gewone stervelingen’. En wij kiezen onze ‘gedachteniszondag’ daarom op de zondag die het dichtst bij 1 én 2 november valt.

Zo’n gedachtenisdienst luistert nauw. U zit hier allemaal met verschillende herinneringen. Sommige daarvan zullen pijn doen. Andere zijn een zoete balsem op de wonde van het verlies. Er zullen momenten zijn waarop de dankbaarheid voor wat geweest is de toon zet. Maar het is ook heel wel denkbaar dat boosheid en gevoelens van miskenning en onbegrip u parten spelen.

Om dat alles samen te vatten, willen we onszelf niet te verliezen in wat zo snel gebeurt, namelijk een teveel aan woorden. Wij kozen vanmorgen daarom voor woordeloze vorm. U gaat kijken naar een dans van de Canadese choreografe Katie Ward op muziek van da Palestrina.

dans                          uit: Missa nasce la gioja mia van G.P. da Palestrina:

deel V, Agnus Dei I en II

lezing uit de bijbel  Genesis 26: 12 – 33

Vanmorgen een verhaal uit het eerste bijbelboek, Genesis. Het vertelt over een eenzame episode uit het leven van de aartsvader Isaak.

Met een heel aantal van u lees ik dit jaar verhalen over Jacob, een van de beide zoons van deze zelfde Isaak. Maar in het verhaal van vanmorgen doen die zoons niet mee. Daarom slaan wij in die lees- en gespreksgroep dit hoofdstuk over. Maar vanmorgen zal het klinken en zullen wij horen hoe verteld wordt dat Isaak op zoek gaat naar zowel oude als nieuwe bronnen in de hoop daar in zijn verlorenheid uit te kunnen putten.

 

26: 12Isaak zaaide in dat land en hij oogstte nog hetzelfde jaar honderdvoudig, want de HEER zegende hem. 13Hij werd rijker en rijker, schatrijk werd hij: 14hij bezat grote kudden schapen, geiten en runderen en een groot aantal slaven en slavinnen. Maar de Filistijnen werden jaloers op hem, 15en daarom maakten ze alle putten die de knechten van zijn vader Abraham indertijd hadden gegraven onbruikbaar door ze vol te gooien met aarde. 16Het kwam zover dat hun koning Abimelech tegen Isaak zei: ‘U kunt maar beter bij ons weggaan, u bent veel te machtig voor ons geworden.’ 17Toen vertrok Isaak en sloeg zijn tenten op in het dal van Gerar, en daar bleef hij wonen. 18De waterputten die in de tijd van zijn vader Abraham daar waren gegraven en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid, groef Isaak weer open, en hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze had gegeven. 19Ook Isaaks knechten gingen in het dal aan het graven en zij troffen er een bron met helder water aan. ….. 23Van daar trok verder. 24’s Nachts verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben de God van je vader Abraham. Wees niet bang want ik sta je terzijde, en ik zal je zegenen en je veel nakomelingen geven omwille van mijn dienaar Abraham.’ 25Toen bouwde hij op die plaats een altaar, riep er de naam van de HEER aan en sloeg er zijn tenten op; zijn knechten begonnen daar een put te graven. ….. 32Diezelfde dag nog kwamen Isaaks knechten hem vertellen over de put die ze hadden gegraven. ‘We hebben water gevonden!’ zeiden ze. 33Hij noemde die put Seba, en daarom heet de stad daar tot op de dag van vandaag Berseba.

orgel / piano

overweging

Begin deze week had ik een even vluchtige als ontroerende ontmoeting. Ik was op bezoek in een ziekenhuis en besloot even snel iets te eten in het ziekenhuisrestaurant. Na een maaltijd opgeschept te hebben gekregen liep ik door naar de kassa’s. Omdat mijn portemonnee dik was van een teveel aan klein geld, wilde ik graag daarmee betalen. Kort tevoren was ik even in Frankrijk geweest en ik had daar een handvol munten van één en twee centen aan overgehouden. Enigszins opgejaagd stond ik daarmee te hannesen toen de kassière, die belangstellend toekeek, zei dat zij die munten niet mocht aannemen. Mijn ergernis onderdrukkend verzuchtte ik wat ik daar dán in ’s hemelsnaam mee moest doen? Op dat moment wist zij mij te verrassen. Met een werkelijk stralende glimlach zei zij: ‘Dan stopt u het zondag toch in de collectezak!’

 

Het zou ermee te maken kunnen hebben dat ik op dat moment emotioneel niet helemaal in balans was maar er ging een golf van ontroering door mij heen. Zomaar opeens bleken die anonieme mevrouw achter de kassa van het ziekenhuisrestaurant en ik een verhaal te delen. Blijkbaar hebben wij beiden iets met de kerk. Het genereerde bij mij onmiddellijk een sterk gevoel van verwantschap.

 

Om dit incidentje te verbinden met het verhaal dat ik u voorlas: het is denkbaar dat Isaak, in het verhaal dat wij lazen, op zoek is naar een dergelijke verwantschap. Hij is groot geworden, machtig en rijk. Dat zal plezierig zijn geweest. Hij zal daarvan hebben genoten. Maar op de één of andere manier is hij, ergens onderweg, ook iets kwijtgeraakt. Hij weet zich ontworteld en dat maakt dat hij zich alleen voelt. En als daar dan de jaloezie van die verrekte Filistijnen nog bij komt, wordt dat besef alleen nog versterkt. Het lijkt of hij nergens terecht kan. Hij is rusteloos en voelt zich opgejaagd. Dan besluit hij op zoek te gaan naar de bronnen waar ook zijn vader uit dronk, in de hoop daar houvast te vinden. Maar de bronnen waar zijn vader uit putte en die hij met zoveel eerbied hooghield waren ontoegankelijk geworden. Ze hadden Isaak niets meer te bieden. Hij zou er graag weer toegang toe krijgen en daarom zoekt Isaak die putten weer te ontsluiten.

 

Het zal duidelijk zijn dat wij hier weer met beeldtaal van doen hebben. Wij zijn uitgenodigd dit verhaal overdrachtelijk te lezen. Die zogenaamde bronnen waar de generaties die óns voorgingen zich aan laafden, kunnen er dan ook heel verschillend uitzien. Het kunnen verhalen zijn die zo vertrouwd waren dat onze ouders en grootouders erin leken te wonen, maar ook een manier van doen kan zo vertrouwd zijn dat zij geborgenheid en zelfs troost kan bieden. Of een gedeelde cultuur en een gemeenschappelijk referentiekader.

 

Maar dat kan allemaal zijn verdwenen, verdampt. Of het is nietszeggend geworden. Taal en vormen verouderen nu eenmaal. Dat kunnen zijn hun betekenis verliezen. Jij herkent jezelf er niet meer in. Dan laat je het los. Dat dat jou op jezelf terugwerpt is ook niet zo erg. Dat is heel wel te dragen. Totdat. Totdat jij het gevoel krijgt ontworteld te zijn. Met iedere windvlaag die langs komt raak jij verder van huis. Je gaat je afvragen of je nog ergens bij mag horen en rust zult vinden. Maar het lukt je niet om houvast te vinden. Tot je, als een willekeurig herfstblad, ergens in een stille hoek beland en blijft liggen.

 

Dat zou dan zo’n moment kunnen zijn waarop je je afvraagt of die oude bronnen misschien nog van betekenis kunnen zijn en of het niet de moeite waard zou zijn om alle gruis en puin dat zich erop verzamelt heeft weg te ruimen. Wie weet wat er dan tevoorschijn komt. Wie weet wat dat jou te bieden zal blijken te hebben.

 

Vorig jaar was ik gevraagd de begrafenisdienst te leiden van een oude mevrouw. Zij was opgegroeid in Scheveningen waar ook haar hele familie woonde en goeddeels nog steeds woont. Zeker in de jaren dat zij jong was, was het kerkelijk klimaat in Scheveningen op z’n zachtst gezegd stevig. Twee keer per zondag naar de kerk, verder de hele dag niets doen. Niets mocht. Zij ging naar een zogenaamde ‘school met den Bijbel’ en als volstrekt vanzelfsprekend werd er thuis voor en na iedere maaltijd gebeden en uit de heilige schrift gelezen.

 

Al jong viel zij op vanwege haar grote intelligentie. Zij kreeg zij het voor elkaar naar de HBS te mogen gaan. Zij was de oogappel van haar vader en toen zij, daarin gesteund door de hoofdonderwijzer, bleef aandringen, kon hij haar dat niet weigeren. Nadat zij haar eindexamen had gehaald ging zij rechten studeren. Als eerste en enige van haar familie naar de universiteit. Wel in Leiden, want dat was vanuit Den Haag goed te bereizen. Het was ondenkbaar dat zij als jonge, ongetrouwde vrouw zelfstandig zou gaan wonen.

 

Om een lang verhaal kort te maken: nadat zij was afgestudeerd is zij gaan werken en maakte zij een in het oog springend mooie carrière. Toen ik haar leerde kennen was zij al ruimschoots met pensioen maar ik heb verschillende mensen gesproken die zich haar herinnerden vanwege haar gedegen vakkennis en zorgvuldige manier van werken en leiding geven. Zij woonde in een plezierig appartement in de stad en had een uitgebreid netwerk van vrienden, bekenden en ook neefjes en nichtjes. Een partner had zij nooit gehad. Dat was er nooit van gekomen. In de jaren dat ik haar met enige regelmaat sprak, was dat soms een thema. Zij had moeten bewijzen dat zij het waard was die studie te hebben mogen volgen en zij had daarom al haar kaarten op haar werk gezet, zeker de eerste jaren. Ze had er bovendien geen idee van hoe dat ging, een meer intiem contact met iemand aangaan. Maar wat haar, ook wat dit betreft, misschien wel vooral parten gespeeld had, was het feit dat zij zich nooit thuis voelde bij andere mensen. Zij had eigenlijk geen enkel idee bij wie zij thuishoorde. Zij voelde zich altijd anders. Hoewel zij veel van haar familie hield, was zij die sfeer ontgroeid. Zoals zij later ontdekte sloten de meeste studenten in hun studententijd vriendschappen voor het leven. Haar was dat niet overkomen. Met geen van haar medestudenten had zij een blijvende vriendschap gesloten omdat zij naar haar gevoel stuk voor stuk in een andere werkelijkheid leefden. En dat gevoel was eigenlijk altijd gebleven. Ja, één keer was er een vriendschap met een man ontstaan en haar fantasie was al meteen op hol geslagen maar toen het puntje bij het paaltje kwam, bleek hij homoseksueel te zijn. Hij deed daar niet stiekem over en was er volstrekt van uitgegaan dat zij dat wist maar zij had daar op dat moment nog nooit van gehoord, van homoseksualiteit.

 

U zult begrijpen dat haar oude dag niet eenvoudig was. Er lagen, om het zo te zeggen, stapels huiswerk op haar te wachten. Wie was zij? Waar hoorde zij bij? Waar komt het in het leven op aan? Welke keuzes had zij om welke redenen gemaakt? Hoe keek zij daar nu tegenaan? Hoewel zij nog steeds een min of meer trouwe kerkganger was, had zij geen idee van wat er over was van het geloof uit haar jeugd. Ze ging vooral uit gehoorzaamheid en gewoonte naar de kerk. Wat moest ze anders doen op lange, stille zondagen?

 

Ik heb veel met haar gepraat. Over werkelijk van alles en nog wat. Ze las boekjes over moderne theologie die op haar pad kwamen. Zij ging naar lezingen over het opvoeden van kinderen, voor het eerst in haar leven nam zij een abonnement op de schouwburg . Om in de taal van Isaaks’ verhaal te spreken: allemaal nieuwe bronnen die stuk voor stuk door anderen ontsloten waren en haar vervolgens werden aangereikt. Maar in plaats van antwoorden vinden, kwamen er alleen maar meer vragen op. Zij was buitengewoon sterk en gedisciplineerd. Maar tot haar niet geringe verdriet moest zij in haar laatste jaren erkennen dat die beide eigenschappen haar vooral gehinderd hadden om meer van haar leven te maken. Uiteindelijk is zij, ik denk toch wel te kunnen zeggen, eenzaam en voor haar gevoel onbegrepen gestorven.

 

Zij had mij gevraagd haar te begraven. Er was een papier waarop tal van heel expliciete wensen voor de dienst vermeld stonden. Eerlijk gezegd was het ene beetje een ratjetoe. Er moest gelezen worden uit de nieuwste bijbelvertaling, er waren een paar liederen van Huub Oosterhuis die zouden moeten klinken, iemand zou een esoterisch gedicht voorlezen en nog zo wat. Maar aan het graf moest en zou de liturgie uit het oude, hervormde dienstboek gevolgd worden. Daar was zij heel expliciet in. U zult het niet kennen maar het is een lap ouderwetse en voor ons ontoegankelijke tekst die van begin tot eind gelezen moest worden. Vanzelfsprekend zou ik aan al haar wensen voldoen. Ik moet ik bekennen dat ik daar verder weinig gedachten aan had gewijd. Zij wilde dat dus waarom niet?

 

Achteraf is dat een beetje slordig gebleken. Want wat ik niet wist was dat zij begraven ging worden in hetzelfde graf als waar ook haar beide ouders en een jong overladen zusje in lagen. Dat drong pas tot mij door toen wij daar, met een man of twintig, rond de vers gedolven kuil stonden. Naast het graf, een beetje opzij gelegd, lag de zware steen waarop ik de drie andere namen las. Op dat moment drong tot mij door wat de reden was dat zij wilde dat ik die eigenlijk vreselijke regels zou lezen. Dát is het, natúúrlijk! Zijzelf had jaren en jaren geleden op precies diezelfde plaats met precies diezelfde woorden afscheid genomen van haar ouders en van dat zusje. Dat waren de mensen met wie zij zich verbonden wist. Daarom had zij natuurlijk gewild dat ik die bijna bizarre teksten uit zou spreken. Daar, letterlijk op de valreep, werd zij opnieuw verbonden met waar zij vandaan kwam. Eindelijk thuis in, in meer dan een betekenis van het woord, het Vaderhuis.

 

Gelukkig kreeg ik nog de kans om iets te zeggen over wat er op dat moment tot mij doordrong. Dat leidde ertoe dat wij ons met elkaar maar vooral met haar verbonden voelden toen die wonderlijke oude woorden over dat graf werden uitgesproken. En ontstond een sfeer van geborgenheid die reikte tot over de grenzen van haar dood.

 

De laatste jaren van haar leven had zij gezocht en gezocht. Ieder boekje dat haar als een mogelijke bron door derden werd aangereikt had zij gehoorzaam gelezen. Iedere uitnodiging voor een lezing of cursus nam zij aan. Het had haar niet geholpen. Maar hier, op dit ene moment, wist zij de bronnen van haar vader waar zij zoveel van had gehouden opnieuw te ontsluiten.

 

Wij zijn hier vanmorgen om onze doden van het nu afgelopen jaar te gedenken. En al het hele afgelopen jaar was ik van plan u vanmorgen dit verhaal te vertellen. Eigenlijk weet ik niet eens precíes waarom. Maar het heeft ermee te maken dat ik nooit eerder zo sterk als toen aan dat graf ervaren heb dat onze doden niet zoekraken of vergeten worden in het lege niets. Zij wordt omvat en gedragen door woorden die groter zijn dan wij stervelingen kunnen bevatten. Of liever: door woorden die niet alleen verwijzen naar maar die ons bovenal verbinden met een werkelijkheid die onomstotelijk is, en grenzeloos. En waarin al namen, ook al zijn wij gestorven, met eerbied gespeld en gelezen zullen blijven worden.

Amen

 

stilte

zingen                                   Tussentijds 81

wij noemen de namen van hen die gestorven zijn    -staan-

hierna krijgt een ieder de gelegenheid een kaarsje aan te steken ter nagedachtenis aan een dierbare die hij (of zij) heeft moeten afstaan aan de dood. -links er rechts van de preekstoel staat een hoge tafel met daarop een mandje met waxinekaarsen. u bent uitgenodigd om rij voor rij (te beginnen bij de voorste rijen) naar voren te komen en een kaarsje aan te steken en op de tafel te plaatsen-

dans                          uit: Missa nasce la gioja mia van G.P. da Palestrina:

deel IV: Sanctus & Benedictus.

gebed                                   Onze Vader

zingen                                   NLB 90 a: 1, 3, 5 en 6.       -staande gezongen-

zegen

De Heer zegene u en hij behoede u,

de Heer doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig,

de Heer verheffe zijn aangezicht over u

en geven u vrede.