De Woudkapel                                                                                          zondag 2 april 207

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Jan Siemons

liturgie

welkom, kaars, stilte etc.

zingen                                                       NLB 362 (Hij die): 1 en 2

inleiding op de dienst

zingen                                                       NLB 362: 3

inleiding op de schriftlezing

schriftlezing                                          Exodus 20

orgel / piano

overweging

stilte

improvisatie

zingen                                                       BB 18 (Gij gaat voorbij)

gebed

Onze Vader

zingen                                                       NLB 416 (Ga met God)

zegen

inleiding op de schriftlezing

Vanmorgen lees ik met u de Tien Geboden uit het boek Exodus. Met een aantal van u heb ik deze regels vorig jaar gelezen in de gespreksgroepen over dit onderwerp. En onze belangrijkste ontdekking daarbij was dat die tien regels geen morele handwijzers zijn. Anders dan wij in eerste instantie geneigd zijn te denken, geven zij geen richting aan hoe wij worden verondersteld ons te gedragen. Wat zij daarentegen wel doen, is onder woorden brengen wat werkelijke vrijheid is. Hoewel het ons tijd kostte om dat tot ons door te laten dringen, kunnen we zeggen dat die Tien Geboden tien definities zijn van wat werkelijke vrijheid behelst. En vrijheid is in dit verband natuurlijk niet dat je maar in het wilde weg doen kunt wat er in je op komt. Maar hier is vrijheid vooral dat jij je vrij verhoudt tot alles wat je voelt en denkt, dat je daar niet van schrikt of bang voor bent.

Die Tien Geboden staan, zoals gezegd, in het boek Exodus. En zonder te overdrijven kan ik zeggen dat dat een van de grootste bevrijdingsverhalen uit de wereldliteratuur is. Dat boek vertelt hoe dat gaat, als een mens zich losmaakt van alles wat hem angst inboezemt en kleinhoudt en waaraan hij verslaafd is. Dat wordt verbeeld met het leven in het Egypte van de Farao. Op een gegeven moment wint zijn vertrouwen het van zijn angst. Dan staat hij op en gáát hij. Hij laat zijn cynisme achter zich. Zijn fantasie, de droom over hoe het óók kan zijn wordt leidend. Hij gaat achter de muziek aan op weg naar dat land waarvan hij al zijn hele leven droomde.

Onderweg trekt hij door een woestijnlandschap. Het valt allemaal niet mee. En als dan, ergens onderweg, de moed hem in de schoenen zinkt en alles uitzichtloos lijkt te zijn geworden omdat hij niet meer weet hoe het in godsnaam verder moet, vat de verteller nog één keer samen waar het allemaal om begonnen is. Hij definieert die volkomen vrijheid en vat haar samen in tien regels.

Hoewel ik ze alle tien zal lezen, zal ik het zo meteen in mijn overweging alleen over de tweede van de tien hebben: het verbod op het maken van ‘gesneden beelden’. Ik houd erg van deze regels en zou ze graag alle tien met u bespreken maar daarvoor is vanmorgen geen tijd. Wie weet wat de toekomst voor ons in petto heeft.

schriftlezing

Exodus 20: 1 Toen sprak God al deze woorden: 2 Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. 3 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. 4 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. 7 Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt. 8 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; 9 zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10 maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. 11 Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die. 12 Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal. 13 Gij zult niet doodslaan. 14 Gij zult niet echtbreken. 15 Gij zult niet stelen. 16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.

overweging

Twee weken geleden hebben we met een aantal mensen een door de Woudkapel georganiseerde excursie naar de Rotterdamse Kunsthal gemaakt. Daar zagen we de expositie van ‘hyperrealistische schilders’ onder de letterlijk bezielende leiding van de kunsthistoricus Alwin Kroese. Deze Alwin Kroese verdiept zich ieder jaar in een aantal lopende tentoonstellingen om zich vervolgens beschikbaar te stellen als rondleider. Vorig jaar zagen we onder zijn leiding de Turner tentoonstelling in Museum de Fundatie in Zwolle en de tentoonstelling van werk van Jan Weissenbruch in Teylers Museum in Haarlem. Twee weken geleden dus die hyperrealisten in Rotterdam. Het is een tentoonstelling waar ik nooit naar toe zou zijn gegaan als Alwin Kroese ons daartoe niet had aangezet. (foto 2)

Ik sluit niet uit dat u, net zoals dat voor mij gold, niet erg bekend bent met deze kunststroming. Daarom zal ik er kort iets over vertellen. (U ziet al een hyperrealistisch schilderij op het scherm) Hyperrealisten schilderen zo nauwgezet mogelijk na wat er op een foto te zien is. Dat is een voorwaarde, dat het schilderij niet op de werkelijkheid gebaseerd is maar op een foto van die werkelijkheid. Wie voor een hyperrealistisch schilderij staat, zal denken naar een foto te kijken. De schilder wil de kijker als het ware dwingen om echt te kijken. Wat ziet hij? Is het de werkelijkheid die hij ziet? Of is het een foto van diezelfde werkelijkheid? Of inderdaad een schilderij? Een foto lijkt in eerste instantie een objectief beeld van de werkelijkheid te geven maar klopt dat wel? Het kan zijn dat die werkelijkheid gemanipuleerd is. Dat is tegenwoordig niet ondenkbaar. Maar bovendien nemen wij door de overvloed aan beelden om ons heen lang niet altijd meer goed waar. De fotografie (maar zeker de digitale fotografie) roept de vraag op wat nog echt is en waar wij ons in de luren laten leggen. (foto 3)

Maar bovendien laat de tentoonstelling zien hoezeer ons kijken bepaald wordt door wat wij verwachten of denken te zien. Om daarvan een tweetal voorbeelden te geven: een van de tentoongestelde schilderijen laat de skyline van Londen zien. Maar de kijker realiseert zich dat er iets niet klopt. Aanvankelijk is niet duidelijk wat dat is. Het ziet er allemaal zo volstrekt waarheidsgetrouw uit. Maar als je wat langer kijkt, valt de vlakheid van het schilderij op. Er is geen diepte geschilderd, geen perspectief. De foto die de schilder gebruikte is gemaakt met een eenvoudig toestel dat geen diepte kan vastleggen. De schilder heeft de foto uiterst nauwkeurig nageschilderd maar die foto zag een andere, een veel vlakkere werkelijkheid dan het oog ziet. (foto 4)

Hetzelfde gebeurt op een schilderij dat gebaseerd is op een foto die gemaakt is met een groothoeklens. Dat is helemaal vervreemdend. Want u en ik, zij zien de werkelijkheid anders. De vraag die opkomt bij wie op de tentoonstelling rondloopt is dan wie of wat de werkelijkheid ziet zoals deze eigenlijk is? Het objectieve fototoestel? Of ik? Of zie ik vooral mijn interpretatie van de werkelijkheid? Of dat wat ik wil of denk te zien? Die in eerste instantie zo toegankelijke schilderijen stellen in tweede instantie grote vragen aan de beschouwers.

Al rondlopend moest ik denken aan het bekende schilderij van de Belgische schilder René Margritte uit 1929 waarop hij heel gedetaillerd en realistisch een pijp heeft geschilderd. (foto 5). Daaronder schreef hij: ceci n’est pas une pipe (dit is geen pijp). Ik was een kind toen ik dat schilderij voor het eerst zag afgebeeld en ik herinner me nog dat ik het toen niet begreep wat ermee bedoeld kon zijn. Want wat daar te zien was, was toch gewoon een pijp? Ik vermoed dat mijn ouders zullen hebben geprobeerd mij duidelijk te maken wat er aan de hand was, maar dat drong niet erg tot mij door. Pas veel later begreep ik dat er een levensgroot verschil is tussen een pijp en de afbeelding van een pijp. Wie naar het schilderij van Margritte kijkt, kijkt niet naar een pijp maar naar een afbeelding ervan. En dat is dus wat anders. Wat zij zien is de afbeelding (of liever: naar de verbéélding) van een pijp. Dat wij er een pijp in zien komt omdat de afbeelding overeenkomt moet hoe wij ons een pijp voorstellen. Wij moeten het beeld dat wij van de werkelijkheid hebben niet verwarren met de werkelijkheid zelf.

Ik vermoed dat dit is waar het ook in dat tweede gebod over gaat: Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten en die barmhartigheid doe duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

Immers, niets is wat het lijkt. Dat geldt voor wat we zien op een schilderij (dat lijkt een foto te zijn maar het is het niet. Het lijkt een pijp te zijn maar dat is het niet. Het lijkt de skyline van Londen te zijn maar dat is het niet) maar dat geldt evenzeer voor wat wij in elkaar menen te zien en te herkennen. Wanneer wij gaan geloven in de beelden die wij van elkaar en van de werkelijkheid om ons heen hebben, wanneer wij te gemakkelijk gaan geloven dat wij zien wat wij denken te zien, dan houden wij onszelf niet alleen voor de gek, wij houden onszelf ook gevangen in een perceptie van de werkelijkheid die wel eens op gespannen voet zou kunnen blijken te staan met wat hoe die werkelijkheid uiteindelijk in elkaar zal blijken te steken.

Niets van wat ons omringt en niemand die wij kennen of tegenkomen valt samen met het beeld dat bij ons opgeroepen wordt.

De laatste jaren ben ik mij in toenemende mate bewust geworden van nog een ander voorbeeld van deze zelfde gedachte. En die houdt verband met de rol die de verschillende media in onze levens spelen. In niet onbelangrijke mate wordt het beeld dat wij hebben van de wereld om ons heen bepaald door wat wij daarover in de kranten en op die televisie lezen en zien. Dat betekent dat de selectie van de verschillende redacteuren van wat nieuws is en wat niet, wat zij ons voorschotelen en wat niet, grote consequenties heeft. De media zoomen, bijna per definitie, in op de uitzonderingen. Die beschouwen zij als nieuwswaardig. Maar als wij alleen maar uitvergrootte uitzonderingen krijgen voorgeschoteld, bestaat het gevaar dat wij gaan denken dat zij de regel zijn. Zo vormen wij ons, tegen wil en dank, een beeld van de wereld om ons heen dat gebaseerd is op hoe die wereld zich niet dan bij hoge uitzondering vertoont.

Het is een beetje zoals een arts die zou kunnen gaan denken dat iedereen ziek is. Of een advocaat die het idee heeft dat iedereen met iedereen over hoop ligt. Maar zo is het natuurlijk niet.

Zeker na de weken die voorafgingen aan de verkiezingen zouden wij kunnen denken dat onze samenleving van geen kanten deugt. En na aanslagen zoals die vorige week in Londen plaatsvonden kan het vermoeden rijzen dat de buitenwereld ronduit onveilig is. Ik wil niet zeggen dat wij in een ideale en in alle opzichten overzichtelijke wereld leven maar veel reden om bang te zijn hebben we niet. Ons eigen land is uitermate goed georganiseerd. En daarbinnen, maar ook daarbuiten, is het risico dat ons zoiets als een aanslag treft bijna verwaarloosbaar klein. Maar desondanks zijn wij bang. Omdat het beeld van werkelijkheid dat de media ons voorschotelen niet samenvalt met hoe de werkelijkheid in feite is.

Daarom komt het erop aan dat wij ons erin oefenen het onderscheid te maken tussen het beeld dat wij hebben van de werkelijkheid en die werkelijkheid zelf. Wij moeten onszelf voortdurend kritisch bevragen of wij zien wat wij denken te zien. Als wij dat niet doen, komen wij terecht in de gevangenis van onze eigen verwachtingen en projecties. Met name dat tweede gebod is een krachtige uit om kritisch te staan tegenover het beeld dat wij ergens van hebben. Of dat nu de politieke werkelijkheid is of een foto of schilderij, of een mens die wij kennen uit onze omgeving of uit de krant.

Misschien moet ik in dit verband nog een enkel woord wijden aan de laatste regels van dat tweede gebod: Gij zult u voor die beelden niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. Deze regels roepen, zo heb ik gemerkt, vaak weerstand op omdat zij ons doen denken aan een strenge, bijna boosaardige of wraakzuchtige god. Maar dat zal oorspronkelijk niet bedoeld zijn. Waar het hier om gaat is (die laatste regel van dit tweede gebod doet niet anders dan onze werkelijkheid beschrijven), is dat wij, als wij behept zijn met een verwrongen beeld van de werkelijkheid, wij daarmee niet alleen onszelf tekort doen maar ook onze kinderen en zelfs onze klein- en achter kinderen. Voorbeelden daarvan zijn niet moeilijk te geven. Families waarin iets vreselijks is voorgevallen, bij voorbeeld in de Tweede Wereldoorlog, kunnen daar tot op vandaag last van hebben. Vraagt u dat maar aan uw joodse buren. Of aan die vriend die een vader of grootvader had die lid is geweest van bij voorbeeld de NSB. Een dergelijk trauma heeft geleid tot een manier van in het leven staan, tot een manier om de werkelijkheid te zien en te ervaren die tot in de derde of zelfs de vierde generatie kan duren. Zoals het omgekeerde ook het geval is. Onbevangen vrijdenkende ouders hebben een grote kans op onbevangen en vrijdenkende kinderen.

Onvrijheid schuilt overal. Maar misschien wel vooral als wij dreigen te capituleren voor de beelden die wij ons vormden. Daarom is bij voorbeeld zo’n tentoonstelling als er op dit moment te zien is in de Rotterdamse Kunsthal zo relevant. En daarom klinkt de roep om alert te zijn in die Tien Geboden zo krachtig.

Létterlijk onbevangen de werkelijkheid beschouwen en meer of minder vastgeroeste beelden ontmaskeren. Daartoe zijn wij uitgenodigd, ja, ópgeroepen. Want wie daartoe het vertrouwen vindt, zal overweldigd worden door zowel de schoonheid, de samenhang als de broze tederheid van wat ons omringt.

Amen

gebed

In de stilte van dit moment

zoeken wij de stilte in onszelf.

Dat is lang niet altijd eenvoudig

want ons hele leven doet onophoudelijk

zijn galm en echo horen;

niet alleen het nu maar ook wat was

en dat waarvan wij hopen of vrezen

dat het komen zal,

speelt ons parten in de stilte.

En toch zoeken wij haar

en leggen wij ons oor te luister

om te horen wat zij ons te zeggen heeft.

Heeft zij een antwoord

Op ons gemis, ons verdriet,

onze onrust en onze haast?

Spreekt de stilte

Van wat er achter de horizon van ons bestaan

Te verwachten valt?

Helpt zij ons

aan nieuwe hoop en vers vertrouwen,

aan ruimte en opademende vrijheid?

In de stilte van dit moment

zoeken wij de stilte in onszelf.

Amen