WOUDKAPEL BILTHOVEN                                                                                KERSTMIS 2017

 

voorganger              ds Pieter Lootsma

organist/pianist       Gerard Zwart

m.m.v.                                   Nico ter Linden (Kerstverhaal),

a-capellakoor Von Bilhoven

en Milou Haggenburg (saxofoon)

 

Kerstverhaal                        Engelen zijn blank

Ze was een ongehuwde moeder, de dochter van een dominee, en ze woonde op een woonboot in de Prinsengracht, schuin tegenover de Amsterdamse Westerkerk waar ik indertijd predikant was. Wij spraken elkaar van tijd tot tijd, over haar en over haar kind. Mensah heette dat jongetje, de naam schiet me weer te binnen terwijl ik dit schrijf. Hij was een bruin mannetje, zijn vader kwam uit de Antillen, maar die was helaas niet meer aan boord, de moeder stond er alleen voor. ‘s Zondags zat Mensah braaf vlak voor mijn neus op de kleine bankjes in de kerk voor het gesprek met de kinderen.

Later verloor ik moeder en kind uit het oog, ze woonden nu in Haarlem. Maar ineens kregen we weer contact, de moeder schreef dat de school van Mensah een kerstspel ging opvoeren en Mensah zou engel zijn. Maar de juf vond wel dat Mensah daartoe wit moest worden geschminkt, want engelen zijn niet bruin, toch, engelen zijn blank.

Mensah was daar boos over en moeder woedend en verdrietig. Ze wou graag weten wat ik daar nu van vond.

Laat ik nu net in die dagen een klein kerstgeschenk van mijn uitgever ontvangen: een kerstboekje met een keur van afbeeldingen van de heilige familie, Jozef, Maria en het kind, uit vele landen en verre wereldstreken. Blank waren ze, maar ook bruin en zwart. En het stalletje stond nu eens in de sneeuw of onder een palmboom, dan weer in woestijnzand of ergens in de rimboe. Jozef en Maria hadden kleurrijke kleren uit al die landen aan en naast de os en de ezel waren ze zichtbaar gelukkig met blauwe-, bruine-, zwarte- en spleetogen.

Dat boekje kwam echt als geroepen en ik heb het dan ook onmiddellijk naar Haarlem doorgestuurd, naar Mensah en zijn moeder. Zong die engel Gods niet over vrede op aarde voor alle mensen?

 

Zo hebben schilders de eeuwen door in grote vrijmoedigheid het geboorteverhaal van Jezus in eigen land, in eigen streek gesitueerd. Dichters maakten er de mooiste liederen bij, zoals het oude Vlaamse kerstlied Maria die zoude naar Betlehem gaan, ‘het hageld’ en sneeuwde en ’t was er zo koud, de rijm lag op de daken.’ De schrijver Felix Timmermans schreef er honderd jaar geleden zelfs een heel boek over: Het Kindeke Jezus in Vlaanderen De afbeelding die op de voorkant van onze liturgie staat, siert ook het omslag van dat boek.

 

overweging

‘Engelen zijn blank, zo is het nu eenmaal’, was de opvatting op de school van Mensah. En in het Middeleeuwse Vlaamse kerstlied dat wij zongen hagelt en sneeuwt het zoals het kan hagelen en sneeuwen op het Vlaamse land. Het zijn maar twee illustraties van wat eigenlijk altijd en overal gebeurt, dat wij, wat wij horen, vertalen naar de wereld zoals wij die kennen. Die wereld is ons referentiekader, daar gaan wij van uit bij ons kijken, ervaren en denken. Wie in een helemaal witte wereld leeft zal er moeite mee hebben om zich zwarte engelen voor te stellen. En wie in Vlaanderen woont, stelt zich de winter nu eenmaal zo voor zoals die er in het Vlaanderland uitziet.

 

Dat wij zo’n vertaalslag zo gemakkelijk maken is eigenlijk prachtig. Het helpt ons om ons de verhalen, zoals het Kerstverhaal, eigen te maken. Door ze te vertalen eigenen wij ze ons toe. Dat doen we natuurlijk op meer dan één manier. We doen het ook door datzelfde verhaal ieder jaar weer op deze donkere avond te lezen. En door het uit te beelden in een Kerststalletje thuis. Maar we doen het dus óók door het decor dat Lucas schildert, meer of minder bewust, te vullen met ons bekende elementen: herkenbare engelen en hagel en sneeuw. Zo ontstaat er een sfeer van vertrouwelijkheid tussen ons en het verhaal. Het wordt dierbaar. Dat maakt het eenvoudiger om onszelf een plaats in het verhaal te geven. Wij komen er in immers voor. Dat is een voorwaarde om door het erdoor in beweging te worden gebracht.

 

Misschien moeten we daar dan eerst even naar kijken, naar welke beweging het is waar dit verhaal toe uitnodigt. Ik heb natuurlijk niet de pretentie daar in het bestek van dit ene uurtje veel te kunnen zeggen maar één aspect wil ik er graag uitlichten. En dat is eigenlijk heel spannend want het raakt aan waar wij het toch al over hebben, namelijk aan onze neiging om alles wat er op ons toekomt te beschouwen en te interpreteren met behulp van de ons bekende referentiekaders. Precies daarover heeft Lucas ons wat te zeggen.

 

Het Kerstevangelie van Lucas laat zich heel eenvoudig lezen als een uitnodiging om te proberen alle vertrouwde kaders los te laten en om verwachtingsvol te gaan ervaren wat er dan gebeurt.

 

Lucas zoekt in dit poëtische verhaal naar woorden om zijn lezers te vertellen van zijn geloof dat het mogelijk is om weg te breken uit de donkere vicieuze cirkel waarin de mensen naar zijn waarneming gevangen zitten. Dat er dus licht is aan het einde van de tunnel. Maar de mensen zien dat licht niet, zo vermoedt Lucas, omdat zij de verkeerde kant opkijken. In het de-góede-kant-opkijken geeft Lucas vervolgens een lesje.

 

‘Jullie’, zegt hij, ‘jullie hebben de neiging om je blind te staren op wat vanzelfsprekend lijkt of indruk maakt. Je kijkt te gemakkelijk naar wat groter dan jijzelf bent. Zo ben je geprogrammeerd. Dat doe je als vanzelf. Maar als jij jezelf zou willen bevrijden zou jij je blikveld moeten verleggen.’

 

In het door hem gecomponeerde geboorteverhaal beschrijft Lucas hoe dat proces er uit zou kunnen zien. Zijn Kerstevangelie is daarom het verhaal, de verbéélding, van de geboorte van troost en hoop in een bezeten wereld.

 

Wie waarheid zoekt, en troost, hij richt zijn blik onwillekeurig op bijna abstracte overheden en heersers als de keizer van Rome of bewindvoerder Quirinius. Maar Lucas vraagt de cameraman de camera te zwenken in de richting van het onooglijk kleine plaatsje Bethlehem, een vlek, terzijde. Wij zijn uitgenodigd om mee te bewegen: wég van de grote mannen, weg van de sterke schouders, in de richting van een pasgeboren kind waarvoor nergens plaats lijkt te zijn.

 

Even kort en volledigheidshalve: dat Lucas dat kind uit een maagd geboren heeft ook een reden. Hij lijkt te willen zeggen dat waarachtige troost en gegronde hoop eigenlijk altijd ‘uit het niets’ opdoemt, het komt ‘van God’, om in de taal van Lucas te blijven. Het is de vrucht van vertrouwen. Van liefde. Op dezelfde manier zal het ook geen toeval zijn dat hij herders het voorrecht gunt het bericht als eerste op te vangen. Wie weinig te verliezen heeft en minder in de weer is met bij voorbeeld het ophouden van façades is ontvankelijker voor het geheimenis dat het leven een uiteindelijke glans geeft. Dat vermoeden beeldt Lucas uit door de herders zo’n nadrukkelijke rol te geven. Zij leefden zowel letterlijk als figuurlijk aan de rand van de samenleving.

 

Lucas heeft in zekere zin makkelijk praten als hij ons vraagt zijn blikrichting te volgen. Want u en ik weten dat het alles behalve eenvoudig is om af te zien van ons bekend en vertrouwd is. Wij vinden daarin nu eenmaal houvast. Zeker wie bang is of zich toch al bedreigd voelt zal het niet opbrengen het weinige dat hij nog in handen denkt te hebben los te laten. Niet zelden heeft hij zelfs de neiging zich daarin te verschansen. Zowel in het persoonlijke als in maatschappelijke zijn van dit mechanisme talloze voorbeelden te vinden.

 

Van de week las ik delen van de verkorte en in het Nederlands vertaald autobiografie van de Franse president Emmanuel Macron. In dit boek (‘Revolutie’, heeft hij het genoemd) roept hij op tot een herinrichting van de Franse staat. Hij toont aan dat het slikken of stikken is. Frankrijk zit opgesloten in een systeem en een gedachtengoed dat niet langer houdbaar is. En er zijn radicale ingrepen nodig om het land klaar te stomen voor de volgende decennia.

 

Daar wil ik het nu natuurlijk niet over hebben. Maar waar het mij om gaat is de manier waarop Macron zijn ideeën aan de man brengt. Die trof mij. Want Macron staat eenzelfde dynamiek voor ogen als die in het verhaal van Lucas.

 

Macron maakt in zijn betoog alle denkbare ruimte om met veel respect te beschrijven hoe de Fransen en de Franse samenleving het product zijn van de eigen geschiedenis. Dat is niet zomaar een geschiedenis. Daarom zijn de huidige Fransen loyaliteit verschuldigd aan het beeld van Frankrijk dat hun voorouders koesterden. Wat hij daarmee doet, is zijn lezers duidelijk maken dat hij ze kent, herkent en begrijpt. Op die manier wekt hij vertrouwen. Hij zoekt een zekere vertrouwelijkheid. Het is, in de ogen van Macron, onvermijdelijk dat de Franse bevolking haar blik verlegt. In plaats van te blijven staren naar de in het verleden vast verankerde rechten nodigt hij haar uit om het aan te durven zich te richten naar wat nu nog als kwetsbaar ervaren wordt maar waar naar zijn overtuiging een geloofwaardige toekomst in schuil gaat. Die vertrouwelijkheid waar hij dus aan werkt heeft hij nodig om de Fransen mee te kunnen nemen in het verhaal dat hij vertelt.

 

Het is balanceren op een smal koord. Want, zoals gezegd, het risico bestaat dat wiens zekerheid op het spel staat zich in die kwetsbare zekerheid zal verschansen. De wellicht verouderde zekerheid krijgt iets absoluuts en wordt verheven tot norm. Dat is niet iets om minachtend op neer te kijken. De boodschapper kan zijn verhaal niet kwijt omdat hij niet wordt vertrouwd. De ontvanger ontvangt niets omdat hij het verhaal dat hem verteld wordt niet kan plaatsen binnen zijn beleving van het bestaan. Zonder een vertrouwelijke intimiteit tussen beiden kan er geen toekomst worden geboren.

 

Ik besluit vanavond met een oud Chinees sprookje dat de toehoorder ook uitdaagt om af te zien van een alledaags begrijpen van de dingen.

Er woonde in het noorden van China eens een wijze en welvarende boer. Hij werd geroemd door al zijn buren vanwege de manier waarop hij leefde en waarop hij zijn werk deed.

Op een dag na een hevige onweersbui liep hij zijn land op en zag dat zijn beste paard, een schitterende hengst, uit angst voor het onweer was uitgebroken. Het dier was nergens te vinden. De buren van de boer hoorden van het verlies en kwamen die avond hun medeleven betuigen. ‘Wat een pech.’ zeiden ze. Ze stonden heel verbaasd toen de boer zei: ‘Ach, wat is pech en wat is geluk? Vaak is dat afhankelijk van hoe je kijkt. Uiteindelijke verbindt alleen verwondering ons met wat er komen gaat.’ De volgende dag kwam de hengst terug en bracht een hele kudde wilde paarden met zich mee, allemaal sterke en snelle dieren.

De buren kwamen weer kijken en zeiden: ‘Dat is boffen.’ Waarop de boer weer antwoordde: ‘Ach, wat is geluk en wat is pech? Vaak is dat afhankelijk van hoe je kijkt. Uiteindelijk verbindt alleen verwondering ons met wat er komen gaat.’

Een paar dagen later reed de enige zoon van de boer op een van de wilde paarden. De merrie wierp hem echter uit het zadel en toen hij op de grond viel brak hij zijn been. De vriendelijke buren kwamen de jongeman opzoeken en zeiden tegen de vader: ‘Wat een pech.’

En voor de derde keer antwoordde de boer: ‘Ach, wie weet wat pech is en wat geluk is? Vaak is dat afhankelijk van hoe je kijkt. Uiteindelijk verbindt alleen verwondering ons met wat er komen gaat.’

Later die week trok het leger door het dorp en vertelde de dorpelingen dat er aan de grensoorlog was uitgebroken.

Ze dwongen alle jongemannen uit het dorp dienst te nemen in het leger. Maar omdat de zoon van de boer zijn been had gebroken, had het leger geen belangstelling voor hem. En weer kwamen de buren en zeiden: ‘Wat een geluk!’ Maar de boer antwoordde: ‘Ach, wat is geluk en wat is pech? Vaak is dat afhankelijk van hoe je kijkt. Uiteindelijk verbindt alleen verwondering ons met wat er komen gaat.’

Amen.