WOUDKAPEL BILTHOVEN                                                                    ZONDAG 7 JANUARI 2018

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Gerard Zwart

 

liturgie

welkom, mededelingen, kaars, stilte etc.

zingen                                   NLB 362: 1 en 3

inleidende tekst

Vanmorgen, in deze eerste dienst in het nieuwe jaar, wil ik het met u hebben over het spanningsveld waarin onze levens zich afspelen. Of liever, over de verschillende polariteiten waarin wij staan. Ons leven staat, of wij dat nu willen of niet, voortdurend, letterlijk, onder spanning. En dan doel ik niet zozeer op de spanningsvolle relatie die iemand met de wereld om zich heen kan hebben maar vooral op dubbelheid in ons eigen denken en voelen. Vorige week zag ik de prachtige tentoonstelling ‘stage of being’ in museum Voorlinden in Wassenaar. Daar zag ik dit beeld van Marc Manders. Het verbeeldt diezelfde gespletenheid. Het is een bijzonder beeld en u moet de tijd nemen om er goed naar te kijken. Wel wijs ik u op een wat mij betreft relevant detail. Het rechterbeen van de man vindt steun op een plankje. Dat been wordt aangestuurd door de linkerhersenhelft. Dat is het centrum van het concrete en exacte denken. Daarin vindt de man blijkbaar houvast. Zijn linkerbeen hangt in de lucht. Dat been wordt aangestuurd door de rechter hersenhelft waar onze creativiteit en spiritualiteit huist. Blijkbaar is dat wiebeliger, onzekerder.

De Nederlandse zanger Stef Bos zingt over de gespletenheid van de mens in het lied Die duiwel en God. Ook omdat de tekst in het Zuid Afrikaans is, en daarom misschien niet altijd even goed te verstaan, staat hij afgedrukt in uw liturgie.

 

schriftlezing

Eenzelfde dubbelheid of dualiteit wordt in de bijbel ook eindeloos verbeeld. Denkt u aan de verhalen over de twee tegenpolen Kaïn en Abel, of Abraham en Lot, Jacob en Esau en zo voort, en zo voort. Het is een stijlfiguur waar de bijbelschrijvers veelvuldig voor kozen: door twee voor ons volstrekt herkenbare manieren van in het leven staat tegenover elkaar te zetten, maken zij die spanning tussen beide invoelbaar: met welke van de twee personagens vallen wij samen? Met één van beiden of met allebei? Hoe zit dat? Is de spanning oplosbaar of moeten we ermee zien te leren leven? Moeten wij het zien uit te houden in die spanning?

Van de week begint er weer een nieuwe gespreksgroep over de verhalen van Jacob en zijn broer Esau. Eigenlijk staat dit hele seizoen een beetje in het teken van deze twee broers. We komen zo voortdurend tegen, ook vanmorgen weer. Ik lees u de eerste regels van deze verhalencyclus voor:

 

Genesis 25: 19Dit is de geschiedenis van Abrahams zoon Isaak en zijn nakomelingen. Isaak, de zoon die Abraham verwekt had, 20was veertig jaar toen hij trouwde met Rebekka, die een dochter was van de Arameeër Betuel uit Paddan-Aram en een zuster van de Arameeër Laban. 21Omdat Rebekka onvruchtbaar bleek, bad Isaak vurig voor haar tot de HEER, en de HEER verhoorde zijn gebed: Rebekka, zijn vrouw, werd zwanger. 22De kinderen in haar lichaam botsten hard tegen elkaar. Als het zo moet gaan, dacht ze, waarom leef ik dan nog? En ze ging bij de HEER te rade. 23De HEER zei tegen haar:

‘Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.’

24Toen de dag van de bevalling was gekomen, bracht zij inderdaad een tweeling ter wereld. 25Het kind dat het eerst tevoorschijn kwam was rossig en helemaal behaard, alsof het een haren mantel aanhad; ze noemden het Esau. 26Toen daarna zijn broer tevoorschijn kwam, hield die Esau bij de hiel beet; hij werd Jakob genoemd.

 

zingen                                                          BB 35

overweging

Van iemand die ik al jaren betrekkelijk goed ken, kreeg ik vorige week een boekje met daarin de tekst van de Huizingalezing 2017 cadeau. Hij bleek, wat ik niet wist, een achterkleinzoon van Johan Huizinga te zijn. Om die reden krijgt hij ieder jaar een uitnodiging voor de lezing die naar zijn overgrootvader is genoemd. Dit jaar was de katholieke priester Antoine Bodar uitgenodigd om de lezing te houden en dat was, in zijn beleving, heel aansprekend geweest. Terecht dacht de gulle gever dat ik het de moeite waard zou vinden de tekst te lezen.

 

Bodar gaf zijn voordracht de veelzeggende titel ‘Leven alsof God bestaat’ mee. Of de keuze voor deze titel een reactie is op Dietrich Bonhoeffer die vond dat we juist zouden moeten leven ‘alsof God níet bestaat’ weet ik niet. Dat blijkt nergens uit de tekst die ik kreeg aangereikt, maar het zou kunnen. Misschien verschilt het één overigens minder van het ander dan we op het eerste gehoor wellicht geneigd zijn te denken. Bonhoeffer pleit, wanneer hij zegt dat wij moeten leven alsof God níet bestaat, voor een onbevangen manier van in het leven staan. Daarmee bedoelde hij dat we niet steeds moeten denken dat God een rol speelt bij wat ons overkomt. God is niet de man op de wolk die vanuit zijn hoge positie de regie voert over ons bestaan. Wie zo denkt, loopt het gevaar zichzelf klein te maken, en afhankelijk. Die mens heeft nauwelijks meer verantwoordelijkheden. Wat Bodar vooral wilde duidelijk maken, is dat als wij zonder God zouden leven, wij onszelf de ruimte ontzeggen om ons te verwonderen. Hij verbindt het vermogen om ons te laten verrassen en verwonderd te worden met het bestaan van God. Daarmee reageert hij vooral op het idee dat alles te begrijpen zou zijn. Dat alles te verklaren is met de principes van de ratio. Bodar pleit voor de erkenning van het feit dat veel ons begrip te boven gaat. We kunnen niet overal grip op krijgen. En moeten dat ook niet willen. Wie erkent dat de werkelijkheid te groot is om te bevatten, schept ruimte voor verwondering. Dat noemt hij: leven alsnog God bestaat.

 

De Leidse rechtsfilosoof Herman Philipse was gevraagd om op het betoog van Bodar te reageren. De door hem uitgesproken tekst staat ook in het boekje over de Huizingalezing 2017. Bodar en Philipse blijken volstrekt tegenovergestelde standpunten in te nemen. Waar Bodar pleit voor de verwondering, daar zet Philipse dat weg als moedwillig wegkijken en toegeven aan romantische bevliegingen. Er is maar één dominant principe en dat is de ratio. Alles wat wij beweren moet door de kritische zeef van het verstand zijn gegaan.

 

Het zijn twee uitersten, Bodar en Philipse, en ze lopen elkaar danig voor de voeten. Ik geloof overigens niet dat Bodar bestrijdt wat Philipse beweert. Wat hij vooral doet is dat rationalisme van Philipse relativeren ten gunste van andere mogelijke manieren van naar de werkelijkheid kijken.

 

Alweer enkele decennia geleden werd ik gesuperviseerd door iemand die volhield dat iemands geestelijke gezondheid af te meten is aan de souplesse waarmee hij van perspectief kan wisselen. Dus hoe hij kan switchen van de ene manier van naar de werkelijkheid kijken naar een andere manier van naar de werkelijkheid kijken. En hij legde dan uit, wat hij bedoelde, met het volgende voorbeeld:

Wanneer ik kleren ga kopen en een klerenwinkel binnenga, dan zal de klerenverkoper mij inschatten en met kleren aankomen waarvan hij denkt dat ze bij mij passen. Een lange, wat stijf geklede man van begin zestig die wellicht wel wat te besteden heeft. Wanneer ik vervolgens doorloop naar mijn huisarts, ziet deze vooral een ouder wordend iemand met een desondanks behoorlijke conditie de spreekkamer binnenlopen. Mijn volgende bezoek is aan mijn minnaar. Deze beziet mij met weer heel andere ogen. Over wat hij of zij in mij ziet ga ik niet speculeren maar het is wel zeker het andere dingen zijn dan de klerenverkoper of de huisarts. Wanneer ik daarna naar huis ga, zal mijn eigenlijke partner weer andere aspecten van mij in beeld hebben. Daarbij speelt dan het antwoord op de vraag of hij of zij op de hoogte is van het bestaan die minnaar ook nog eens een rol. En zo voort. Degenen met wie ik sport, mijn kinderen, de vriendjes met wie ik indertijd gestudeerd heb, zij zien allemaal andere kanten van wie ik ook ben. Ze zullen allemaal gelijk hebben in wat zij zien maar zij zien allemaal maar een deel van het hele gelijk. Wie en wat ik uiteindelijk ben is groter dan de som van al die waarnemingen. Daarom is het eigenlijk onmogelijk te zeggen wie ik ben. dat is afhankelijk van de situatie, de omstandigheden, wie mijn gesprekspartner op dat moment is enzovoort.

 

Het is heel wel denkbaar dat de verschillende invalshoeken op gespannen voet staan met elkaar. En precies proberen de bijbelschrijvers te verbeelden door in hun verhalen twee gestalten, vaak zijn het broers, tegenover elkaar te zetten. Kaïn en Abel, Abraham en Lot, Jacob en Esau, Saul en David en ga zo maar door. Het is een stijlfiguur die blijkbaar in de periode dat deze verhalen geschreven werden in zwang was.

 

Vanmorgen kijken lazen wij dus weer over de broers Esau en Jacob. Zij wonen beiden in ons. Zij botsen hard en onverzoenlijk, zo lazen wij. De ene broer, Esau, ‘de ruige’ betekent dat, is zoals de mens van nature is: een bundel driften. Hij heeft geen andere oorsprong dan zijn geboorte en geen andere bestemming dan zijn dood. Vragen stelt hij zich niet. Hij is vooral een doener, een ‘Macher’ om het in modern jargon te zeggen. Esau representeert de dierlijke verlangens van de mens. En zijn biologische noden.

Jacob daarentegen heeft wel oog voor de toekomst. Hij is een zoeker en een denker. Hij stelt vragen. En de vraag die de verteller aan ons stelt is: wie van de twee broers zet de toon? Naar welke stem in jezelf laat jij je oren hangen?

 

Het zijn twee stijlen van leven die Esau en Jacob representeren. En ieder mens heeft de mogelijkheid tot beide in zich. Baarmoeder aarde kan er niet van slapen. Ze verdringen elkaar onophoudelijk. De legende wil dat Rebekka zich herinnerde dat als zij tijdens haar zwangerschap langs een bordeel liep, Esau zich in haar binnenste begon te roeren. Maar als zij langs een synagoge kwam, dan veerde Jacob op in haar.

 

Nu wil dat niet zeggen dat de een een robuuste, gezellige borrelaar is en de ander een kleurloos, heilig boontje. Misschien is eerder het tegendeel het geval. Esau doet mij vaak denken aan iemand als Archie Bunker uit de VPRO serie All in the family, als u zich die nog herinnert. Archie Bunker was een karikatuur van de huisvader die zich verschanst had in een vooringenomen zelfgenoegzaamheid. Hij was tevreden met zichzelf en had een eenvoudig maar vooral overzichtelijke kijk op hoe de wereld in elkaar zit.

 

Jacob daarentegen is degene die daar allemaal geen idee van heeft. Hij verlegt zijn grenzen voortdurend. Hij is zo iemand die het altijd eens is met het laatste boek dat hij gelezen heeft. Hij wordt keer op keer overvallen door nieuwe inzichten of ervaringen. Die brengen hem van zijn stuk maar dat accepteert hij. Zijn leven wordt gekenschetst door zoiets als een ‘heilige onrust’. Zijn werkelijkheidsbeschouwing is bepaald fluïde en dat leidt ertoe dat hij gezien wordt als degene die aan het begin staat van een traditie die leven als een kunst is gaan beschouwen.

 

Naarmate ook ik ouder wordt ervaar ik het als steeds weer heel verfrissend om soms, zomaar opeens, nieuwe en zelfs volstrekt onbekende kanten van mijzelf in beeld te krijgen. Het beeld dat wij van onszelf hebben blijkt altijd opnieuw gerelativeerd en bijgesteld te kunnen worden. Om dat te kunnen laten gebeuren, moet er sprake zijn van een zekere emancipatie van al die verlangens, alle hoop, alle vertrouwen dat in ons leeft maar waar wij niet zo goed raad mee weten en die wij hebben weggeduwd en ontkend. In de loop van jaren zijn zij ondergesneeuwd onder een koude laag cynisme. Misschien is dat een mooie wens om dit nieuwe jaar mee te beginnen: dat wij er eens de tijd voor nemen om onszelf met nieuwe ogen te bezien. En daarmee onszelf en daarmee deze hele wereld een volgende kans te geven.

Amen.

 

stilte

improvisatie (orgel of piano)

gebed

zingen                                                          NLB 704: 1 en 2

zegen