De Woudkapel                                                                              zondag 4 maart 2018

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Schriftlezing: ds Szekely Kinga Reka

Organist/pianist: Gerard Zwart

 

liturgie

welkom, kaars, stilte etc.

zingen                                              NLB 280: 1, 2, 3 en 7

inleidende tekst

Gerard Reve: Oost, west uit Nader tot u.

piano                                    Menuet de Ninon de Lenclos van Renaud de Vilbac (1829

-1884).

schriftlezing                         uit Psalm 84

(vertaling: 84: 2 Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. 3 Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God. 4 Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt bij uw altaren, HEER van de hemelse machten, mijn koning en mijn God. 5 Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij u loven. 6 Gelukkig wie bij u hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar u. 7 Trekken zij door een dal van dorheid, het verandert voor hen in een oase; rijke zegen daalt als regen neer. 8 Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen. 9 HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. 10 God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde. 11 Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, beter op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten van wie het zonder vertrouwen moeten stellen. 12 Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan. 13 HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die zich aan u toevertrouwt.)

zingen                                              NLB 276

overweging

Het is natuurlijk alles behalve toevallig dat wij een aantal liederen zongen en een tekst lazen die allemaal het huis van God of het godshuis bezingen.

Hoe lieflijk is uw woning, Heer van de hemelse machten.

Dit weekend vieren wij dat het 95 jaar geleden is dat de Vereniging de Woudkapel werd opgericht en dat deze kapel werd gebouwd. Tijdens de lunch, gisteren, hebben wij een kort verslag gekregen van hoe dat toen gegaan is. Wat niet verteld werd en waar ik vooral benieuwd naar ben is wat indertijd de redenen waren om een eigen kerk te stichten. We mogen aannemen dat de stichters van de Woudkapel zich niet thuis voelden in de in deze streek al bestaande kerken. Maar waarom niet? Er zullen ongetwijfeld theologische argumenten aangevoerd zijn. Elders werden bepaalde geloofszekerheden of dogma’s anders aangevoeld dan degenen die aan de wieg van de Woudkapel stonden dat deden. Maar tien tegen een dat er ook sociale argumenten een rol hebben gespeeld. En dat men samen wilde komen met een groep mensen die min of meer hetzelfde in het leven staat, die elkaar verstaat en zich thuis weet bij elkaar. Het één zal het ander hebben versterkt.

We lazen uit Psalm 84: hoe lieflijk is uw woning, Heer. Ik ken veel mensen voor wie de psalmen belangrijk zijn. Zij zin hun eigen levens er in weerspiegeld en zij voelen zich er daarom mee vervlochten. Ik heb een aantal jaren in Jaarsveld gewoond, bij Lopik in de Lopikerwaard. Dat is een streek met een sterke kerkelijke traditie. De boer die naast ons woonde zong, als hij op zijn tractor langs reed of fietste, altijd luid een psalm. Ik vermoedde dan dat wie die psalmen kende, uit de keuze van de psalm kon opmaken in wat voor stemming deze boer was en wat hem die dag bezig hield.

Zelf heb ik niet heel veel met althans de meeste van de psalmen. Ik heb ze als kind nooit gehoord en ben er pas veel later mee in aanraking gekomen. Ik ben wel eens bang dat ik, toen ik ze leerde kennen, al te oud was om ze nog te internaliseren. Ik ben ze eigenlijk altijd moeilijk toegankelijk blijven vinden.

Maar dat is allemaal niet zo van belang, natuurlijk. Vanmorgen laten wij ons gezeggen door de dichter van Psalm 84 die ons uitnodigt om oog te hebben voor de lieflijkheid van Gods woning. Ik weet niet of u het is opgevallen maar degene die deze psalm zingt, is onderweg, onderweg naar dat huis van God:

6 Gelukkig wie bij u hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar u. 7 Trekken zij door een dal van dorheid, het verandert voor hen in een oase. 8 Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.

Wat mij, al lezend, opviel, is dat ‘op weg zijn’. Wat zou de dichter van de psalm daarmee bedoelen? Is dat op weg zijn iets dat zich afspeelt in de ruimte, op een landkaart? Zoals u en ik híer vanmorgen naartoe gegleden zijn? Of zou het kunnen zijn dat de dichter van de psalm iets anders bedoelde? Zou het kunnen zijn dat hij niet zozeer een adres in gedachten had, een ergens op de landkaart gelegen punt maar dat hij het heeft over iets dat zich in onszelf voltrekt? In het eigen hart of in onze ziel?

Toen ik met deze psalm bezig was, begon ik te vermoeden dat het om het laatste gaat, om het zoeken van weg naar binnen, de weg en in het eigen hart. De dichter is niet bezig met wat er om de hoek, aan de overkant of achter de horizon te beleven is. Tastenderwijs gaat hij de weg naar binnen en op die weg komt hem van allerlei tegemoet.

Zo trekt hij door een dal van dorheid, maar als hij volhardt en zich daardoor niet laat afschrikken, als hij daar inderdaad doorhéén gaat, zal die dorheid van kleur verschieten.

Gisteren stond in het dagblad Trouw in het kader van de Boekenweek een interview met de Vlaamse schrijfster Griet op de Beeck. Deze ging uitgebreid in op haar zoektocht naar haar door haarzelf, als kind, verdrongen geschiedenis. Zij is toen misbruikt maar de herinnering daaraan was weg. Blijkbaar was deze niet te hanteren. En een mens, en zeker een kind, blijkt dan over het vermogen te beschikken zo’n herinnering bijna onvindbaar weg te bergen. In haar poging haar herinneringen terug te vinden, stuitte zij op van allerlei dat ronduit pijnlijk was. En weerzinwekkend. Haar hele leven stond op zijn grondvesten te schudden. Maar haar verlangen naar waarheid en waarachtigheid deed haar verder trekken op die weg naar binnen. De gang door dat dal der dorheid was daarvan een onzegbaar pijnlijk traject maar dat haar niet heeft doen besluiten op haar schreden terug te keren.

Wat dat betreft zal zij zich herkennen in wat de psalmdichter vertelt als hij schrijft dat wat hem onderweg op het eerste gezicht angst inboezemt en uitnodigt tot een omweg of zelfs een vlucht, wanneer hij de moed en het vertrouwen vindt om trouw te zijn aan zijn verlangen om thuis te komen, een andere kwaliteit krijgt.

De psalmdichter bezingt, met andere woorden, zijn vermoeden dat het de moeite waard is om ons leven veeleer te laten bepalen door ons verlángen dan door, laat ik zeggen, de omstandigheden waarin wij ons leven leven. Veelal zijn het de omstandigheden die de toon zetten, de feiten en de manier waarop wij die feiten hebben geleerd te interpreteren. Niet zelden zijn dat de bakens waaraan wij houvast ontlenen. Maar blijkbaar is er een denkbaar alternatief.

Wanneer u eens verbeeld wilt zien hoe dat in zijn werk gaat, moet u eens een aflevering bekijken van het programma Dreamschool. Die reality-serie op NPO 3 laat overtuigend zien hoe zogenaamde probleemkinderen eigenlijk onmachtig zijn de hun vertrouwde patronen los te laten om nieuwsgierig en open op zoek te kunnen gaan naar andere mogelijkheden om het leven tegemoet te treden.

Wij kunnen op twee manieren naar zo’n serie kijken. De meest eenvoudig is om rustig achterover te gaan zitten en zelfgenoegzaam vast te stellen hoe hopeloos het gesteld is met deze jonge mensen en dat uzelf dus maar geboft hebt. Maar ik nodig u uit om er niet naar te kijken met het oogmerk tevreden te kunnen vaststellen hoe goed u uw zaakjes op orde hebt maar als een confronterende uitvergroting van wat er met ons allemaal aan de hand is. En wat in ons aller levens speelt, dus ook in dat van u en mij. En dat is dus dat ook wij ons leven beoordelen op basis van vaak buiten ons toedoen veroorzaakte feiten en omstandigheden, en dat ook wij onmogelijk loskomen van onze percepties en interpretatiekaders. Wij hebben net zomin als de kinderen in die serie zicht op de oneindige mogelijkheden en kansen die er schuilen in ons zo lastig ernstig te nemen verlangen, dat verlangen dat schuilt gaat ergens in de diepten van onze ziel. En daarom blijven ook wij hardnekkig vasthouden aan de ons vertrouwde patronen. Het verlangen naar een andere manier van doen is bijna letterlijk hopeloos toegedekt onder een korst cynisme.

De dichter van Psalm 84 nodigt uit dat verlangen ernstig te nemen. En om daarin de grond van het bestaan te vinden. Om dan vervolgens van daaruit het leven gestalte te geven. Daarmee komt natuurlijk meteen een spanningsveld in beeld: de moeizame verhouding tussen het aanvaarden (accepteren en zelfs omarmen) van wat het lot ons nu eenmaal heeft toebedeeld, dat aan de ene kant, én, en dat dan aan de andere kant, het besef dat wij uitgenodigd zijn om de focus te verleggen, wég van wat onontkoombaar lijkt te zijn naar dat waarvan wij dromen, waar wij op hopen en waarvan wij in het diepst van ons hart geloven dat het mogelijk moet zijn.

‘Leven is op reis zijn’. En dan bedoel ik dat wie zichzelf niet steeds weer met nieuwe ogen beziet, wie niet onvermoeibaar bereid is het beeld dat hij van zichzelf en van de wereld heeft bij te stellen, doodloopt in een eenzame schamperheid. Hij krijgt geen zicht op het geheimenis van het thuiskomen in dat door de dichter genoemde ‘huis van God’.

Daar moet ik, tot slot, even bij stilstaan, bij die woorden. Of liever: bij dat beeld. Want wie deze psalm gaat lezen als een verbeelding van een meditatieve weg, zal gaan begrijpen dat de dichter er niet het kerkgebouw of, in zijn geval, de tempel mee bedoelt. Dat huis van God is de plaats waar God woont, waar wij hem kunnen ontmoeten. En dat is niet zozeer een fysieke aanduiding, het is geen bestemming op google-maps. Maar het is een ervaring, een ‘state of mind’.

Met andere woorden: kerk kan overal gebeuren. Zomaar opeens kan een bepaald moment of een bepaalde plaats een doorkijkje bemiddelen naar een dimensie van het bestaan die eerder niet in beeld was. Ik vermoed dat u allemaal weet waarover ik spreek. En ik vermoed bovendien dat u allemaal de herinnering aan een dergelijk moment met u meedraagt. Zo’n moment waarop u uw eerste kind of kleinkind in uw armen gelegd kreeg. Of waarop u die stille wandeling maakte waarop u vriendschap sloot met uzelf en met het wonderlijke verschijnsel dat het leven toch is.

Ikzelf vond laatst een klein opschrijfboekje uit de tijd dat ik op de middelbare school zat. Daarin had ik zo’n moment beschreven. Ik wandelde in een afgelegen bos en raakte in gesprek met de vlekken die de door de bladeren van de bomen spelende zon op de grond maakte. Ik had erbij geschreven dat ik mij niet anders kon voorstellen dan dat die ene ervaring richtinggevend in mijn leven zou blijven en dat zij mijn dagen zou blijven kleuren.

Wat wil dat zeggen over dit gebouw, als wij dat ‘thuiskomen bij God’ op deze veel abstractere manier gaan verstaan? Als het huis van God niet samenvalt met wat wij kerk noemen, welke reden hebben wij dan om te vieren dat deze kapel ons al 95 jaar ter beschikking staat? Die vraag is misschien niet eens zo eenvoudig te beantwoorden. Maar ik waag een poging.

Ik beleef een plaats als deze als een uitnodiging om die weg naar binnen te gaan. Hier is intussen door al verschillende generaties naar de oude verhalen en liederen geluisterd. Hier klonken gebeden waarin gezocht werd naar een nieuw vertrouwen in wat er achter de door ons met verbeten zorg opgetrokken façade gevonden kan worden. Tallozen hielden hier vol verwondering hun pasgeboren kinderen ten doop. Hoevelen vroegen hier niet de zegen over het hachelijke avontuur dat een levensverbintenis toch is? Ontelbaren namen hier afscheid van wie hun leven had gemaakt. Alleen op die weg naar binnen kon nog de hoop gevonden worden dat verwachting gerechtvaardigd blíjft. Wat een huis als dit te bieden heeft is de veiligheid, het vertrouwen om die weg te zoeken en te gaan.

In dat verband kom ik even terug op waarmee ik begon, namelijk de vraag wat indertijd de reden was om deze Woudkapel te stichten. Die zal maar zeer ten dele in het verlangen naar een andere theologie gelegen hebben. Theologie is niet meer dan een rangschikking van woorden. Niet zelden is het een reeks rationalisaties achteraf. Zoals ook dogma’s dat zijn. Veel stelt het niet voor. Wat daarentegen wel veel voorstelt is het verlangen naar de al genoemde veiligheid. En naar vertrouwen en herkenbaarheid. Dat zullen de ‘founding fathers and mothers’ voor de hun eigen groep hebben willen bieden.

Ik bid de Woudkapel en iedereen die zich daarmee verbonden weet toe dat precies dat hier onder dit dak gevonden zal blijven worden.

Gelukkig zijn zij die wonen in uw huis, gedurig mogen zij u loven.

Amen

stilte

orgel                                     improvisatie

zingen                                              BB 33: 1, 2, 3 en 4

gebed en Onze Vader

Als muren zouden kunnen spreken,

als zij zouden kunnen vertellen over wat zij zagen en hoorden.

Als onze adem zich zou verbinden met de gebeden van wie ons voorgingen,

dan worden ook wij opgenomen in een verhaal dat eeuwen omvat.

 

Dit huis weerstond storm en wind,

oorlog en armoede,

verweer van de tijd,

en toch is het kwetsbaar als een gedachte

die opkomt in een doorwaakte nacht,

of als een ogenblikkelijk inzicht in wat werkelijk waar is,

als het vermoeden dat wij niet aan het lot zijn overgelaten.

 

Generaties kwamen zij hier,

op de grote momenten in hun levens:

geboorte, volwassenwording, huwelijk, dood,

zondag aan zondag lazen zij hier de verhalen

die ervan getuigen

dat juist in de kwetsbaarheid

een ontvankelijkheid woont,

een vermogen tot verwondering schuilt

die het fundament is van wat kerk-zijn behelst.

Daarom bidden wij vanmorgen

om gezien te worden,

gehoord en verstaan

in onze diepste verlangens:

te zijn en te worden

wie u in gedachten had toen u ons maakte.

en om in een adem genoemd te worden

met al diegenen wier namen geschreven staan

in de palm van uw hand.

zingen                                              NLB 415: 1

zegen

piano                                    Sonatine in F-dur, opus 38.2 deel 1 Allegro Moderato van

August Reinhard (1831-1912)